Behandelschema aanvraag planschade

Wat te doen bij de ontvangst van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade.

In artikel 6.1, derde lid, Wro is bepaald dat een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde tegemoetkoming in schade dient te bevatten. In artikel 6.1.2.2. Bro zijn nadere eisen gesteld.

Behandelschema-aanvraag-planschade

Artikel 6.1.2.2
Onverminderd artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6.1 van de wet bevat de aanvraag:

  • a. een aanduiding van de oorzaak, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet, ter zake waarvan een tegemoetkoming in de schade wordt gevraagd;
  • b. een aanduiding van de aard van de schade;
  • c. een omschrijving van de wijze waarop aan de schade naar het oordeel van de aanvrager tegemoet dient te worden gekomen indien hij geen vergoeding in geld wenst.

Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders beleidsregels vaststellen waarin staat aangegeven waaraan een aanvraag dient te voldoen en hoe deze dient te worden ingediend. Bijvoorbeeld middels een aanvraagformulier. Ik wijs er echter wel op dat indien de beleidsregels leiden tot het maken van kosten voor een aanvrager, bijvoorbeeld een verplicht taxatierapport, deze kosten in beginsel vergoed dienen te worden. De omvang van de kosten dient daarbij uiteraard redelijk te zijn.

Bij binnenkomst van de aanvraag dient het volgende overeenkomstig artikel 6.1.2.1 Bro te geschieden:

  • 1 Burgemeester en wethouders tekenen de datum van ontvangst onverwijld aan op het geschrift waarbij de aanvraag is ingediend.
  • 2 Zij zenden de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
  • 3 Zij delen de aanvrager zo spoedig mogelijk mee door welk bestuursorgaan op de aanvraag zal worden beslist.

Na ontvangst van de aanvraag geldt het volgende. Zie artikel 6.1.3.1 Bro:

  • 1 Het bestuursorgaan is bevoegd de aanvraag binnen vier weken na ontvangst, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn verstreken is gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen, af te wijzen, indien de aanvraag kennelijk ongegrond is.
  • 2 Een besluit om een onvolledige aanvraag niet, onderscheidenlijk niet verder in behandeling te nemen, wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.
  • 3 Het bestuursorgaan kan de laatste in het tweede lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.

Indien de aanvraag kennelijk ongegrond is kan het bestuursorgaan de aanvraag af wijzen zonder inschakeling van een adviseur. Van kengelijkheid ongegrondheid is bijvoorbeeld sprake als er geen planologische wijziging is geweest en dus een grondslag om schadevergoeding aan te vragen ontbreekt. Ook indien de schade is verjaard kan een aanvraag wegens kennelijke ongegrondheid afgewezen worden. Ook als de schade evident voorzienbaar was ten tijde van de aankoop zal van kennelijke ongegrondheid sprake zijn.

Ook kan het bestuursorgaan besluiten om een aanvraag niet (verder) in behandeling te nemen omdat aanvrager op verzoek niet overgaat tot aanvulling van de aanvraag.

Als sprake is van een ontvankelijke aanvraag maakt het bestuursorgaan aan aanvrager kenbaar dat hij voornemens is om overeenkomst het bepaalde in artikel 6.1.3.2. een adviseur aan te wijzen die advies zal gaan uitbrengen naar aanleiding van de aanvraag. De aanvrager wordt in de gelegenheid om de adviseur  te wraken. Dit volgt over het algemeen uit de gemeentelijke planschadeverordeningen of regelingen. Meestal wordt een termijn van twee weken gegeven. Raadpleeg de verordening van uw gemeente.

De wraking kan in de regel alleen betrekking hebben op de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in diverse uitspraken aangegeven dat Langhout & Wiarda een deskundige is op het gebied van het planschaderecht. Het college kan van een adviseur verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring voldoende deskundig te zijn.

Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.

Met betrekking tot de onafhankelijkheid van de deskundige wijs ik nog op het volgende. Deze mag uiteraard niet werkzaam zijn bij de gemeente. In de verordeningen is vaak bepaald dat een aan te wijzen adviseur niet betrokken mag zijn bij planologische maatregel waarop de aanvraag ziet. In de toelichting op de door de VNG opgestelde modelverordening wordt gesteld dat dit inhoudt dat de adviseur niet een planschaderisicoanalyse mag hebben opgesteld in relatie tot de planologische maatregel waarop de aanvraag ziet. Mijns inziens kan deze conclusie niet worden getrokken uit de jurisprudentie van de Afdeling waarin is bepaald dat een aan te wijzen adviseur niet betrokken mag zijn bij planologische maatregel waarop de aanvraag ziet. Deze jurisprudentie ziet op medewerkers van het stedenbouwkundigbureau dat het bestemmingplan heeft opgesteld. Zie onder meer Rb Leeuwarden, 11-10-2000, ECLI:NL:RBLEE:2000:AA7511. Het is overigens wel verstandig om uit een oogpunt van onafhankelijkheid een andere adviseur in te schakelen.

Wat in de gemeentelijke verordening dient te worden geregeld staat in artikel 6.1.3.3 Bro. Met betrekking tot de wijze van advisering wijs ik op artikel 6.1.3.4 en 6.1.3.5 Bro die hieronder ook staan opgenomen.

  • 1 Bij gemeentelijke verordening, provinciale verordening en bij regeling van Onze Minister worden regels gegeven over de aanwijzing van een adviseur en de wijze waarop deze tot een advies komt.
  • 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op
    • a. de deskundigheid en onafhankelijkheid van de adviseur;
    • b. de gevallen waarin een commissie als adviseur wordt ingeschakeld;
    • c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;
    • d. de wijze waarop de aanvrager en eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel deze na aanwijzing kunnen wraken;
  • e. de wijze waarop de aanvrager, de betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet door de adviseur, onder verslaglegging, worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken, en de dienaangaande geldende termijnen.

Artikel 6.1.3.4

De adviseur betrekt in zijn onderzoek in ieder geval:
de vraag of de door de aanvrager in zijn aanvraag gestelde schade een gevolg is of zal zijn van de in de aanvraag aangeduide schadeoorzaak;<
de omvang van de schade, bedoeld onder
de vraag of deze schade redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met inachtneming van de artikelen 6.1, eerste lid6.2 en 6.3 van de wet

  • De adviseur adviseert het bestuursorgaan over de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming en doet, indien het bestuursorgaan een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een tegemoetkoming in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. Heeft een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan wordt dit voordeel bij het advies over de te vergoeden schade in aanmerking genomen.

Artikel 6.1.3.5

  • 1 De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze bevoegdheid eerst uit na instemming van het bestuursorgaan.
  • 2 De adviseur stelt zich ter plaatse op de hoogte van de situatie, tenzij naar zijn mening uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen.

De adviseur dient ingevolge het bepaalde in de procedureverordening binnen een bepaalde termijn, veelal 16 weken na opdrachtverlening, een conceptadvies uit te brengen. Dit conceptadvies wordt verzonden naar partijen, waaronder gemeente, aanvrager en een eventuele derde-belanghebbende. Partijen krijgen vier weken de tijd om op het conceptadvies te reageren. Waarna de adviseur vier weken (verlenging tot 8 weken veelel toegestaan) de tijd heeft om een definitief advies uit te brengen. Na het uitbrengen van het definitief advies geldt voor het bestuursorgaan het volgende.

In artikel 6.1.3.6 Bro is met betrekking tot de voortgang van de procedure  bepaald:

  • 1 Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager.
  • 2 Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Voorts wordt nog wezen op artikel 6.1.3.7 Bro

  • 1 Het bestuursorgaan kent de aanvrager op diens schriftelijke aanvraag een voorschot toe indien hij naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een tegemoetkoming en zijn belang naar het oordeel van het bestuursorgaan zodanig voorschot vordert. Het bestuursorgaan beslist op de aanvraag, gehoord de adviseur.
  • 2 Een besluit tot het verlenen van een voorschot is geen erkenning van een aanspraak op een tegemoetkoming.
  • 3 Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de aanvrager van het voorschot schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde, te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Het bestuursorgaan kan daarvoor zekerheidstelling verlangen.

NB: De in de procedureverordeningen zijn termijnen van orde. Bij overschrijding van deze termijnen kan aanvrager de gemeente in gebreke stellen.

Scroll naar boven