AbRS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1667 Gedeputeerde staten van Limburg Buitenring Parkstad Limburg (voorzienbaarheid en nmr).
Om een tweetal redenen heb ik deze uitspraak opgenomen in mijn nieuwsbrief. In de eerste plaats i.r.t de voorzienbaarheid en de doorbreking van de voorzienbaarheid. In de tweede plaats i.r.t. de hoogte van de drempel in het kader van het normale maatschappelijke risico (nmr).
Voorzienbaarheid.
De voorzienbaarheid van schade dient beoordeeld te worden naar het moment van de investeringsbeslissing (i.c. datum aankoop woning; niet de leveringsdatum !!). Alles wat na deze datum gebeurt is niet van invloed op de voorzienbaarheid van de schade. Dit geldt derhalve eveneens i.r.t doorbreking van voorzienbaarheid. Van doorbreking kan alleen sprake zijn bij concrete gepubliceerde beleidsvoornemen van de zijde van de overheid vóór de datum van aankoop. I.c. stond tussen partijen vast dat schade voorzienbaar was op basis van een streekplan uit 1977. De woning was gekocht in 1996. In 1987 en 1991 zijn streekplannen vastgesteld, gepubliceerd en in werking getreden op basis waarvan geen voorzienbaarheid kon worden tegengeworpen (voor wat deze conclusie betreft, zie de uitspraak).
Het college was in navolging van haar adviseurs de (bijzondere) mening toegedaan dat uit de jurisprudentie van de Afdeling zou volgen, dat bij het vaststellen van de voorzienbaarheid van de schade eerst wordt gekeken naar het oudste concrete beleidsvoornemen en vervolgens wordt beoordeeld of dat beleidsvoornemen met een later beleidsvoornemen is doorbroken.
De Afdeling overweegt:
‘10.5. Anders dan het college aanvoert, volgt uit de rechtspraak van de Afdeling niet dat bij het vaststellen van de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak in het algemeen eerst wordt gekeken naar het oudste concrete beleidsvoornemen en dat vervolgens wordt beoordeeld of dat beleidsvoornemen met een later beleidsvoornemen is doorbroken. In dit geval is het de vraag of de voorzienbaarheid kan worden gebaseerd op een of meer beleidsdocumenten van gelijke aard, te weten streekplannen als bedoeld in artikel 4 van de WRO, die voor zover hier van belang betrekking hebben op hetzelfde gebied en die elkaar in de tijd zijn opgevolgd. In een geval als dat van [wederpartij] wordt de voorzienbaarheid in beginsel beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of, op grond van het ten tijde van de investeringsbeslissing meest recent gepubliceerde streekplan, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen.
10.6. Ten tijde van de peildatum was het Streekplan 1991 het meest recente streekplan voor het oostelijk deel van Zuid-Limburg.
10.7. Uit de tekst van het Streekplan 1991 valt niet af te leiden dat de provinciale overheid een concreet beleidsvoornemen had om ten noordoosten van Brunssum, in de buurt van de woning, een weg te realiseren. Tussen partijen is niet in geschil dat de voor [wederpartij] nadelige planologische ontwikkeling in het plangebied ook niet voorzienbaar was op basis van het bij het Streekplan 1991 behorende kaartmateriaal.
Uit het Streekplan 1991 blijkt niet dat dit beleidsdocument slechts ter aanvulling – en niet ter vervanging – van een ouder beleidsdocument, zoals het Streekplan 1977, heeft te gelden. In de tekst ontbreekt een op dit punt relevante verwijzing naar het Streekplan 1977. Voor een redelijk denkend en handelend koper was op grond van het Streekplan 1991 niet kenbaar dat het beleidsvoornemen van het Streekplan 1977 nog steeds geldig was.’
Drempel nmr.
Er zijn veel procedures over de hoogte van de drempel in het kader van het normale maatschappelijke risico. Ingevolge de Omgevingswet gaat bij waardevermindering van een onroerende zaak een vaste drempel gelden van 4 % van de waarde van een onroerende zaak. Thans bedraagt de forfaitaire drempel bij indirecte planschade 2 %. De bovengrens ligt bij indirecte planschade in beginsel bij een drempel van 5 %. Het bestuursorgaan dient een hogere drempel te motiveren en de rechter toetst deze motivering indien zij onderwerp van geschil is. Geen ambtshalve toetsing derhalve.
Uit deze uitspraak van de Afdeling kan in beginsel de conclusie worden getrokken (zie r.o. 15 t/m 15.6) dat indien sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling die past binnen het langdurig planologisch beleid in beginsel een drempel van in ieder geval 3 % gerechtvaardigd is. Indien een ontwikkeling naar haar aard en omvang daarnaast past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving kan een drempel van 4 of 5 procent worden toegepast. Voor wat betreft toetsing aan het afstandscriterium verwijs ik naar mij nieuwsbrief: 48 -2021.
Voor meer jurisprudentie zie op de website van Langhout & Wiarda onze kennisbank planschade, onder normaal maatschappelijk risico en voorzienbaarheid.
Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met Ted Langhout. Tel. 0654954780 of email: tapl@172.19.112.148.