Nieuwsbrief Planschadeactua
Nummer 49 – 2021
AbRS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1397
In deze uitspraak gaat het uiteindelijk alleen nog over de vergoeding van de deskundigenkosten. Ik heb deze uitspraak opgenomen in mijn nieuwsbrief omdat ook in mijn praktijk er wel eens geschil is over de vergoeding van deskundigenkosten. In de eerste plaats verwijs ik naar het uitgebreid daarover gestelde in de kennisbank planschadevan Langhout & Wiarda. In tweede plaats wordt verwezen naar de overwegingen van de Afdeling in deze zaak. Het betreft overigens herhaling en verduidelijking van eerder gevormde jurisprudentie.
De Afdeling overweegt:
5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de overzichtsuitspraak over planschade van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 6.5), kunnen kosten die de aanvrager heeft gemaakt vanaf het moment dat de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het bestuursorgaan heeft uitgebracht tot het moment dat het bestuursorgaan op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.
De tarieven van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) zijn niet van toepassing op de bepaling van de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro. Bepalend voor de redelijkheid van de omvang van deze kosten is of deze in verhouding tot de verrichte werkzaamheden staan en redelijk zijn.
5.3. In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 oktober 2017 heeft het college [appellant] een vergoeding van € 995,00 toegekend voor de kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand. In het besluit heeft het college onderscheid gemaakt tussen de kosten van een aanvullend taxatierapport en de overige kosten. Voor de kosten van dat taxatierapport heeft het college een vergoeding van € 395,00 toegekend. In hoger beroep is de hoogte van die vergoeding niet in geschil tussen partijen. Voor de overige kosten heeft het college een vergoeding van € 600,00 toegekend. In het besluit is daartoe het volgende vermeld.
Het inroepen van bijstand over de periode tot aan het conceptadvies was redelijkerwijs niet noodzakelijk. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Het inroepen van bijstand voor de periode na het conceptadvies is niet onredelijk. Noordanus heeft naar eigen zeggen na het uitbrengen van het conceptadvies 13,8 uren aan de zaak besteed. Normaliter wordt aan dit soort werkzaamheden 3 à 4 uren besteed. Daarom is een tegemoetkoming voor 8 uren meer dan coulant. Noordanus heeft een uurtarief van € 125,00 gehanteerd. In dit kader wordt echter het algemeen aanvaardbare forfaitaire uurtarief van € 75,00, zoals toegepast in een uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:336), als redelijk gezien, aldus het college.
5.4. Volgens de door partijen verstrekte gegevens heeft Noordanus 7,7 uren aan het indienen van een reactie op het conceptadvies van 16 mei 2017 besteed en 6,1 uren aan het indienen van een reactie op het definitieve advies van 27 juli 2017 tegen een uurtarief van € 125,00 (exclusief BTW).
Naar het oordeel van de Afdeling is een totale tijdsbesteding van 13,8 uren voor deze werkzaamheden, in relatie tot de omvang en de zwaarte van de zaak, niet onredelijk.
Verder is het door Noordanus gehanteerde uurtarief niet onevenredig hoog. De in het besluit van 9 oktober 2017 vermelde uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:336) leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak ziet op de vergoeding van de in hoger beroep gemaakte kosten van deskundige bijstand tegen het daarvoor destijds toegepaste forfaitaire tarief. Aan deze uitspraak komt geen betekenis toe bij de vergoeding van kosten van kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand in de fase vóór het nemen van het primaire besluit. Op dit onderdeel is het besluit van 25 september 2018, gelezen in samenhang met het besluit van 9 oktober 2017, dus onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1469) leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak heeft betrekking op de vergoeding van de kosten van notities van 3 februari 2014 en 2 juli 2014 die de aanvrager na het primaire besluit van 12 november 2013 had gemaakt. Dat zijn geen kosten in de zin van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro.
Het betoog slaagt.’
Uit de jurisprudentie volgt bij toekenning van een planschadevergoeding in hoofdlijnen het volgende:
Deskundigenkosten door aanvrager gemaakt vóór het uitbrengen van een conceptadvies komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Deskundigenkosten door aanvrager gemaakt na het uitbrengen van het conceptadvies maar voor het het besluit in primo worden vergoed, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.
Bij deskundigenkosten na het besluit in primo moet onderscheid worden gemaakt tussen kosten van rechtskundige bijstand en kosten van niet-juridische bijstand. Voor de eerste geldt dat het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is. Voor de tweede geldt wederom dat deze voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn. Hetzelfde geldt voor beroep en hoger beroep.
Voor wat betreft de kosten van niet-juridische deskundige bijstand gemaakt door de derde-belanghebbende geldt vorenstaande in beginsel niet. Een andere opvatting hoor ik overigens graag.
Voor meer jurisprudentie zie op de website van Langhout & Wiarda onze kennisbank planschade, onder deskundigenkosten.
Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met Ted Langhout. Tel. 0654954780 of email: tapl@172.19.112.148.