Een belangrijke uitspraak met betrekking tot de status van het overgangsrecht bij directe planschade.
Als gevolg een planologische wijziging is bestemming agrarisch gewijzigd naar natuur. Het agrarische gebruik mag worden voortgezet op basis van het overgangsrecht. De rechtsvraag is of het overgangsrecht bij de planologische vergelijking en het bepalen van de vermogensschade buiten beschouwing dient te worden gelaten. De SAOZ is de mening toegedaan van niet en wijst in dat kader op oudere jurisprudentie van de Afdeling.
De SAOZ wijst in dit kader onder meer op de uitspraak van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State van 7 mei 1993 in zaak no. G09.90.0100 (BR 1994, 505) en uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1686, en ECLI:NL:RVS:2007:BA1673. Uit deze uitspraken leidt de SAOZ af dat in het geval van directe schade, zoals in dit geval aan de orde, anders dan bij indirecte planschade, in de planvergelijking en bij het bepalen van de waarde van het object na de planologische wijziging betekenis mag worden toegekend aan de omstandigheid dat appellant het bestaande agrarische gebruik mag voortzetten op grond van het overgangsrecht. Ik deel de mening van de SAOZ dat deze conclusie op basis van die jurisprudentie gerechtvaardigd is.
De Afdeling is andere mening toegedaan:
‘Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft het overgangsrecht bij een bestemmingsplan betrekking op een bestaande situatie die afwijkt van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden. De omstandigheid dat deze bestaande situatie niet past binnen deze bestemmingsregeling, betekent dat beoogd wordt om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. De overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan zijn daarmee van een andere orde dan de planregels over de toegekende bestemmingen. Om deze reden hanteert de Afdeling als hoofdregel dat de mogelijkheden op grond van de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij een planologische vergelijking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4970, en de uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3980).
Het voorgaande geldt ongeacht of verzocht wordt om een tegemoetkoming in indirecte of directe planschade, zoals ook in de voorgenoemde uitspraak van 27 november 2019 het geval was. De omstandigheid dat de bestaande activiteiten van een aanvrager worden beschermd op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan, maakt niet dat de overgangsbepalingen in dat geval gelijk moeten worden geacht aan de planregels over de toegekende bestemmingen. Beoogd is immers om het agrarische gebruik binnen afzienbare tijd te beëindigen.
Anders dan het college meent, volgt evenmin uit de door hem genoemde uitspraken dat in geval van directe planschade het overgangsrecht betrokken mag worden bij de planvergelijking. In de bedoelde uitspraken is weliswaar uiteengezet dat de betreffende bestuursorganen een dergelijke beoordeling aan hun besluit ten grondslag hebben gelegd, maar nu daarover tussen partijen geen geschil bestond, is over de aanvaardbaarheid daarvan geen oordeel gegeven. Uit de uitspraken kan dan ook niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van een verzoek om toekenning van directe planschade de mogelijkheid om het bestaande gebruik voort te mogen zetten, betrokken mag worden in de planvergelijking en bij het bepalen van de waarde van de onroerende zaak na inwerkingtreding van de planologische wijziging.
De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de SAOZ ten onrechte het overgangsrecht van het bestemmingsplan betrokken is bij de planvergelijking en bij de vaststelling van de omvang van de vermogensschade. Het college heeft het advies daarom ten onrechte aan het besluit ten grondslag gelegd.
Het betoog faalt.’
Bij de uitspraak plaats ik de volgende kanttekeningen. Onder voorwaarden kan er op termijn een recht op inbestemmen overeenkomstig het feitelijk gebruik bestaan. Voorts geldt dat een redelijk denkend en handelend koper bij het bepalen van zijn biedprijs rekening zal houden met het planologisch gegeven dat de gronden op basis van het over overgangsrecht kunnen worden gebruikt omdat hij er inkomen mee kan vergaren. Aan dit gegeven doet de uitspraak geen recht.
Onteigeningstechnisch geldt dat indien op basis van dit schadeveroorzakende plan wordt onteigend dat de bestemming waarvoor wordt onteigend enerzijds wordt weggedacht maar dan anderzijds geldt dat artikel 40f (samenloop planschade) in de weg staat aan het tweemaal moeten vergoeden van planologische schade. Wel wijs ik op het verschil tussen schadeloosstelling overeenkomstig de Onteigeningswet en schadevergoeding op basis van het planschaderecht.
Een belangrijke uitspraak met betrekking tot de status van het overgangsrecht bij directe planschade.
Als gevolg een planologische wijziging is bestemming agrarisch gewijzigd naar natuur. Het agrarische gebruik mag worden voortgezet op basis van het overgangsrecht. De Rechtsvraag is of het overgangsrecht bij de planologische vergelijking en het bepalen van de schade buiten beschouwing dient te worden gelaten.
Daarbij is wel van belang dat het bestaande agrarische gebruik op grond van het overgangsrecht van het nieuwe plan mocht worden voortgezet. De SAOZ wijst in dit kader onder meer op de uitspraak van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State van 7 mei 1993 in zaak no. G09.90.0100 (BR 1994, 505) en uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1686, en ECLI:NL:RVS:2007:BA1673. Uit deze uitspaken leidt de SAOZ af dat in het geval van directe schade, zoals in dit geval aan de orde, anders dan bij indirecte planschade, in de planvergelijking en bij het bepalen van de waarde van het object na de planologische wijziging betekenis mag worden toegekend aan de omstandigheid dat [appellant sub 2] het bestaande agrarische gebruik mag voortzetten op grond van het overgangsrecht.
7.2. [appellant sub 2] heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade in de vorm van waardevermindering van zijn percelen. In de visie van het college wordt deze schade beperkt door het feit dat het bestaande agrarische gebruik op grond van het overgangsrecht van het nieuwe bestemmingsplan mag worden voortgezet. Bij inkomensschade kan dit inderdaad het geval zijn, aangezien dan voortgezet gebruik op basis van het overgangsrecht een deel van de schade weg kan nemen omdat nog gedurende een bepaalde tijd inkomsten kunnen worden gegenereerd op basis van het bestaande gebruik, maar schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak kan naar zijn aard niet worden voorkomen door voortzetting van het gebruik van de onroerende zaak onder het overgangsrecht.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft het overgangsrecht bij een bestemmingsplan betrekking op een bestaande situatie die afwijkt van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden. De omstandigheid dat deze bestaande situatie niet past binnen deze bestemmingsregeling, betekent dat beoogd wordt om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. De overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan zijn daarmee van een andere orde dan de planregels over de toegekende bestemmingen. Om deze reden hanteert de Afdeling als hoofdregel dat de mogelijkheden op grond van de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan buiten beschouwing gelaten dienen te worden bij een planologische vergelijking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4970, en de uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3980).
Het voorgaande geldt ongeacht of verzocht wordt om een tegemoetkoming in indirecte of directe planschade, zoals ook in de voorgenoemde uitspraak van 27 november 2019 het geval was. De omstandigheid dat de bestaande activiteiten van een aanvrager worden beschermd op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan, maakt niet dat de overgangsbepalingen in dat geval gelijk moeten worden geacht aan de planregels over de toegekende bestemmingen. Beoogd is immers om het agrarische gebruik binnen afzienbare tijd te beëindigen.
Anders dan het college meent, volgt evenmin uit de door hem genoemde uitspraken dat in geval van directe planschade het overgangsrecht betrokken mag worden bij de planvergelijking. In de bedoelde uitspraken is weliswaar uiteengezet dat de betreffende bestuursorganen een dergelijke beoordeling aan hun besluit ten grondslag hebben gelegd, maar nu daarover tussen partijen geen geschil bestond, is over de aanvaardbaarheid daarvan geen oordeel gegeven. Uit de uitspraken kan dan ook niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van een verzoek om toekenning van directe planschade de mogelijkheid om het bestaande gebruik voort te mogen zetten, betrokken mag worden in de planvergelijking en bij het bepalen van de waarde van de onroerende zaak na inwerkingtreding van de planologische wijziging.
De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de SAOZ ten onrechte het overgangsrecht van het bestemmingsplan betrokken is bij de planvergelijking en bij de vaststelling van de omvang van de vermogensschade. Het college heeft het advies daarom ten onrechte aan het besluit ten grondslag gelegd.
Het betoog faalt.
Zie AbRS 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:793.
Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder de trefwoorden: Overgangsrecht en Directe planschade.
Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.