Bij de planologische vergelijking van de opeenvolgende planologische regimes dient uitgegaan te worden van de meest ongunstige invulling die een bestemming biedt. Ook als een dergelijke invulling feitelijk niet reëel is, of bijvoorbeeld bedrijfseconomisch niet rendabel is, dient van een dergelijke invulling uitgegaan te worden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om af te wijken van de hoofdregel van maximale invulling.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgen in hoofdzaak twee groepen van uitzonderingen. Een eerste groep van uitzonderingen is die waarbij beperkingen uit het recht in de weg staan aan een maximale invulling van een bestemming. Gedacht kan worden aan beperkingen uit het milieurecht of bijvoorbeeld het burenrecht. Ook indien de fysieke ruimte ontbreekt om een bouwwerk te realiseren dient een uitzondering op de hoofdregel te worden gemaakt. Uit een aantal uitspraken van de Afdeling zou kunnen worden afgeleid dat de Afdeling van een redelijke en plaats van de maximale invulling lijkt uit te gaan. Gewezen wordt onder meer op AbRS 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1605 en AbRS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3726. Met deze jurisprudentie wordt niet een wezenlijk andere lijn door de Afdeling ingezet. Uit de uitspraak van 9 december 2015, zou kunnen worden afgeleid dat de maximale invulling niet enkel een theoretische mogelijkheid mag betreffen.
Op basis van de jurisprudentie van de Afdeling moet het voor juist worden gehouden dat alleen in uitzonderlijke gevallen niet van een maximale invulling dient te worden uitgegaan. Een overigens wel te begrijpen keuze. Indien voor een redelijke invulling zou worden gekozen, dan komt de rechtszekerheid in het geding en zou bovendien een veelheid van zaken aan de rechter worden voorgelegd.