De onderhavige systematiek van maximale invulling is al meerdere malen onderwerp geweest van een aan de Afdeling voorgelegd geschil. Indien in een bestemmingplan voor een bestemming voor een groter gebied is bepaald dat het bestaande aantal woningen beperkt dient te blijven tot dit aantal dan dient in het kader van de maximale invulling er vanuit te worden gegaan, dat door amoveren van één of meerdere woningen, woningen op een andere plek binnen het bestemmingsvlak kunnen worden teruggebouwd. Ik wijs op AbRS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9528 en AbRS 30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8907.
De Afdeling overweegt ook in deze zaak in navolging van haar vaste jurisprudentie als volgt:
“3.1. Ingevolge het oude bestemmingsplan hadden de gronden achter het perceel van [appellant] de bestemming “Wonen W2”. Het desbetreffende bestemmingsvlak op de plankaart omvat een groter gebied dan deze gronden. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden bestemd voor woningen in maximaal twee bouwlagen. Daarbij is bepaald dat het aantal woningen beperkt dient te blijven tot het op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande aantal dan wel tot het op de plankaart aangeduide aantal nieuwe woningen. Op de plankaart is ter plaatse geen aantal vermeld. Voorts staat vast dat ten tijde van de terinzagelegging geen woningen aanwezig waren op de gronden achter het perceel van [appellant]. Niet is in geschil dat voormeld planvoorschrift dient te worden uitgelegd in die zin dat, indien op een andere plek binnen het bestemmingsvlak “Wonen W2″ een woning of woonbestemming komt te vervallen, in beginsel een vervangende woning zou kunnen worden gebouwd op de in geding zijnde gronden. Evenmin is in geschil dat gezien de grootte van de in geding zijnde gronden daar maximaal twee vrijstaande of dubbele woningen konden worden gebouwd. Deze bouwmogelijkheid dient buiten de maximale invulling van het oude bestemmingsplan te worden gelaten, indien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten dat die bouwmogelijkheid wordt gerealiseerd. Anders dan [appellant] betoogt, is dat niet het geval. Dat de realisatie afhankelijk is van de sloop van woningen van derden binnen het bestemmingsvlak, naar [appellant] stelt, betekent niet dat de realisering van deze woningen zo onwaarschijnlijk is, dat daarvan bij de planvergelijking niet mag worden uitgegaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2012 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2012:BW9528. De stelling van [appellant] dat een regeling voor de bouw van een vervangende woning ontbreekt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de mogelijkheid van vervangende bouw van een woning rechtstreeks uit het oude bestemmingsplan voortvloeit.”