AbRS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:437, Piekgeluiden windturbines Oude IJsselstreek

In de onderhavige uitspraak gaat het onder meer om de invloed van de geluidsbelasting van windturbines op het woongenot dat wordt ontleend aan een woning voor zover deze aantasting leidt tot een waardevermindering van de woning. In dat kader wordt de (fictie van) de redelijk denkend en handelend koper opgevoerd.

Ik wijs in mijn nieuwsbrief op deze uitspraak vanwege de volgende passage:

‘Daarnaast heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713 geoordeeld dat piekgeluiden bij windturbines niet relevant zijn. Het betoog van [appellanten] biedt geen grond om over het voorgaande in het kader van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade anders te oordelen. Nu voldaan wordt aan deze norm biedt dit betoog dan ook geen grond voor het oordeel dat het effect van de te verwachten geluidbelasting is onderschat.’

Ik kan deze passage niet anders duiden dan, dat net zo als bij de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windturbines, waarbij piekgeluiden niet relevant zijn, ook in een planschade procedure waarbij beoordeeld wordt in welke mate het woongenot van een belanghebbende wordt aangetast, piekgeluiden buiten beschouwing blijven.

Dat bij de ruimtelijke inpassing de piekgeluiden op zichzelf niet relevant zijn is een gevolg van feit dat in wettelijk voorgeschreven berekening van geluidbelasting gekeken wordt naar langtijdgemiddelde geluidniveaus (Lden en Lnight).

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid, dat wordt voldaan aan de norm, niet met zich meebrengt dat er geen planologisch nadeel kan ontstaan. Zo oordeelt de Afdeling overigens ook hier. Dat piekgeluiden (het repeterend geluid van de wieken (zoef zoef)) die met name in de nacht bij het wegvallen van andere geluidbronnen als hinderlijk wordt ervaren, niet zouden mogen worden meegenomen kan mijns inziens niet worden gemotiveerd door te stellen dat de windturbines ruimtelijk aanvaardbaar zijn en onder verwijzing naar het meetvoorschrift. De vraag die in een planschadeprocedure beantwoord dient te worden is in welke mate het woongenot en het leefklimaat zijn aangetast voor zover deze leiden tot een waardevermindering van de onroerende zaak.

De Afdeling lijkt anders te oordelen.

Ik wijs voorts nog op het volgende. Bij de bepaling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een terras bij een horecavoorziening wordt stemgeluid op een binnenterras in het kader van de geluidbelasting (ook) niet meegenomen. In een planschadeprocedure daarentegen wel.  Van waar het onderscheid ?

Zie AbRS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:437.

Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder de trefwoord: Windturbines en Geluidoverlast.

Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.

Scroll naar boven