In deze planschadezaak was aanvankelijk aan appellanten alleen een tegemoetkoming in geld uitgekeerd. Als gevolg van het door appellanten ingestelde hoger beroep is een deel van de schade in natura hersteld en een deel in geld uitgekeerd. In hoger beroep betogen zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, door eerst een tegemoetkoming in geld toe te kennen en vervolgens, na de eerste tussenuitspraak van de rechtbank, alsnog een – gedeeltelijke – vergoeding in natura toe te kennen. Omdat het college een financiële tegemoetkoming heeft toegekend en tegen dit onderdeel van de besluiten geen bezwaar is gemaakt, kan het college hiervan niet terugkomen, aldus appellanten.
De Afdeling overweegt:
“9.1. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Heerde Dorp, Brede School Heerde West, 1e herziening” is een deel van het planologisch nadeel dat de inwerkingtreding van “Heerde Dorp, Brede School Heerde West” voor [appellant I], [appellant H], erven [appellant F], [appellant A] [appellant C], [appellant D], [appellant E] en [appellante J] met zich heeft gebracht weggenomen. Niet valt in te zien op welke wijze [appellant I], [appellant H], erven [appellant F], [appellant A] [appellant C], [appellant D], [appellant E] en [appellante J] worden benadeeld door het wegnemen van een deel van hun planschade. In dit verband wijst de Afdeling erop dat een tegemoetkoming in planschade in voorkomende gevallen kan bestaan uit compensatie in natura, in welk geval schadevergoeding in geld achterwege kan blijven, omdat tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd. De voorkeur van degene die schade lijdt voor een bepaalde wijze van compenseren is daarbij niet doorslaggevend (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).”
Als gevolg van het instellen van bezwaar en beroep, voorzover dat althans betrekking heeft op eigen object, mogen appellanten niet in een nadeligere positie komen te verkeren. Daar staat het beginsel van reformatio in peius in de weg. Het rechtsbeginsel staat er evenwel niet in de weg dat de schade in afwijking van het besluit in primo deels of geheel in natura wordt gecompenseerd. Indien de onroerende zaak, waaraan de schade zich heeft voltrokken, na de peildatum voor de schade wordt verkocht, kan in beginsel geen compensatie in nature meer plaatsvinden, omdat het (latere) herstel in natura in beginsel immers niet in de verkoopprijs is verdisconteerd. Dan moet er wel planschade zijn opgetreden door de betreffende planologische mogelijkheid. In casu was daar volgens de adviseur geen sprake van en de Afdeling volgt dit oordeel zo blijkt uit rechtsoverweging 10.1.
Ook volgt uit de uitspraak dat voor een beoordeling van de maximale invulling van de planologische regimes niet de verschillende bouwmogelijkheden aan de hand van voorbeelden dienen te worden uitgewerkt. Een dergelijke beoordeling dient in abstracto plaats te vinden. Voorbeelden van bouwwerken kunnen wel nuttig zijn ter illustratie van hetgeen gerealiseerd kon of kan worden, aldus de Afdeling.
Voor meer info zie AbRS 12 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2017:1866