Bij de planvergelijking geldt als hoofdregel dat in beginsel dient te worden uitgegaan van het realiseren van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime. Indien het realiseren van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, bestaat aanleiding voor afwijking van dit uitgangspunt. Echter in een aantal situaties wordt voor het nieuwe planologische regime niet van planmaximalisatie maar van een reële prognose op de peildatum uitgegaan, te weten de datum van inwerkingtreding van de planologische maatregel. Dit geldt bijvoorbeeld bij de schadefactoren geluid en geur maar ook zoals in casu de jaarbelasting van een hoogspanningsleiding. Voor jurisprudentie zie bijvoorbeeld: AbRS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1712, AbRS 18 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2015:831, AbRS 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1097 en de kennisbank planschade trefwoorden geluid en maximale invulling nieuwe planologische regime.
Gevolg van deze benadering is dat, indien later binnen de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, de belasting toeneemt aanvrager mijns inziens geen nader verzoek om tegemoetkoming in planschade kan indienen, vanwege een titelgebrek.
In casu betoogt appellantdat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet met voldoende waarborgen is omkleed dat de jaargemiddelde belasting van 30 procent van de hoogspanningsverbinding niet zal worden verhoogd en dat Gloudemans in het kader van de planologische vergelijking ten onrechte is uitgegaan van een jaargemiddelde belasting van 30 procent. Daartoe voert hij aan dat er geen garantie is dat de jaargemiddelde belasting in de toekomst niet zal toenemen.
De Afdeling overweegt:
9.1. Uit de onder 1 vermelde uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010 valt af te leiden dat een jaargemiddelde belasting van 30 procent van de hoogspanningsverbinding ten tijde van de inwerkingtreding van het rijksinpassingsplan een reële prognose was van het redelijkerwijs te verwachten gebruik van de hoogspanningsverbinding. De feitelijke belasting is daarbij niet van belang.
9.2. [appellant] heeft niet met een rapport van een deskundige aannemelijk gemaakt dat de door Gloudemans uit de uitspraak van 29 december 2010 overgenomen prognose ten tijde van de inwerkingtreding van het rijksinpassingsplan geen reële prognose voor de belastinggraad van de hoogspanningsverbinding was. In het betoog is geen grond te vinden voor het oordeel dat deze prognose ten onrechte aan de planologische vergelijking ten grondslag is gelegd.”