AbRS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3834

Het is vaste jurisprudentie dat dat artikel 6.1 van de Wro een uitputtende regeling geeft voor de vergoeding van schade die is veroorzaakt door een op de Wro gebaseerd bestuursoptreden. Op dit uitgangspunt behoort een uitzondering te worden gemaakt in die gevallen waarin de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het planologisch besluit, maar wel aan daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen. In casu was naast het planologisch besluit ook een omzettingsvergunning voor voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte ten behoeve van de verhuur van de zes kamers verleend. Deze vergunning is titel voor een op het égalitébeginsel gebaseerd verzoek om nadeelcompensatie. Een en ander mocht appellant niet baten omdat ook hier eerst onevenredige schade, buiten het normaal maatschappelijk risico, vallende schade voor vergoeding in aanmerking komt en daarvan was geen sprake. 

Zie AbRS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3834, Exclusieve werking art 6.1, tweede lid Wro Den Haag.

Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder het trefwoord: Exclusieve werking art 6.1, tweede lid Wro.

Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.

Scroll naar boven