In deze uitspraak handelt het om de voorzienbaarheid van schade ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak waaraan de schade zich heeft voltrokken. Het college is de mening toegedaan, dat schade ten tijde van de aankoop voorzienbaar was.
De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de aankoop (of de investeringsbeslissing) voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemen die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat beleidsvoornemen een formele status heeft. Beleidsvoornemens die eerst kenbaar worden ná de datum van aankoop kunnen aan deze rechthebbende niet worden tegengeworpen. Zie AbRS 21 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU8882. Daarbij gaat het overigens ook om ontwikkelingen in zijn of haar voordeel (doorbreking voorzienbaarheid). Door deze ontwikkelingen wordt de voorzienbaarheid niet doorbroken.
Ik wijs er voor alle duidelijkheid op dat niet vereist is, dat de specifieke planologische maatregel die tot schade heeft geleid, ten tijde van de aankoop voorzienbaar dient te zijn, maar de kans dat de planologische situatie in ongunstige zin zou kunnen veranderen.Bij het onderzoek in relatie tot de voorzienbaarheid van de schade dient om die reden ook het bestemmingplan dat vigeerde ten tijde van de aankoop te worden betrokken. Wat mocht op basis van dit plan verwacht worden. Als het een andere planologische ontwikkeling betreft dan de thans schadeveroorzakende, dan dient ook in het kader van de voorzienbaarheid een planologische vergelijking te worden gemaakt. Zie bijvoorbeeld AbRS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1375, AbRS 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4047, AbRS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2048.
Er dient sprake te zijn van een concreet beleidsvoornemen van de zijde van de overheid. Van voorzienbaarheid is geen sprake indien er alleen maar sprake van plannen van derden is, waarvan overigens wel vaststaat dat de gelaedeerde daarvan kennis heeft genomen voorafgaand aan de koop, maar nog niet bekend is of de overheid daaraan zal meewerken. Zie AbRS 25 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV0284 en AbRS 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6509. Met betrekking tot de het vereiste van de concreetheid verwijs ik naar de jurisprudentie onder de subtrefwoorden geen concreet beleidsvoornemen en concreet beleidsvoornemen in onze kennisbank planschade.
In casu gaat om de kenbaarheid van het concrete beleidsvoornemen van de zijde van de overheid. Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat publicatie of terinzagelegging van het raadsbesluit van 8 mei 1980 niet heeft plaatsgevonden, dat niet is aangetoond dat de aanduiding van het plangebied als mogelijke bouwlocatie de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten heeft gekregen, dat er ten tijde van de aankoop van het perceel geen concreet beleidsvoornemen tot woningbouw in het plangebied was en dat hij tijdens verschillende gesprekken met de gemeente te horen heeft gekregen dat er geen plannen tot woningbouw in het plangebied waren. Hij betoogt voorts dat uit de verkenningsnotitie valt af te leiden dat tijdens de gemeenteraadsvergadering van 8 mei 1990 geen besluit over locaties voor toekomstige woningbouw zou worden genomen, dat dit wordt bevestigd door opmerkingen van verschillende raadsleden tijdens de behandeling van dit onderwerp in die vergadering en dat ook tijdens de informatiebijeenkomsten niet over toekomstige bouwlocaties is gesproken.
De Afdeling overweegt:
“4.2. Dat de raad van de toenmalige gemeente Limmen in een openbare vergadering van 8 mei 1980 het plangebied als locatie voor toekomstige woningbouw heeft aangewezen, betekent niet dat de planologische ontwikkeling voor [appellant] op 16 augustus 1984 (hierna: de peildatum), de dag van de aankoop van het perceel, voorzienbaar was. Met een openbare behandeling is niet gewaarborgd dat een ieder kennis neemt van de inhoud van het raadsbesluit. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4239). Niet in geschil is dat het college niet heeft aangetoond dat openbaarmaking van het beleidsvoornemen van de raad heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de planologische ontwikkeling voor een redelijk denkend en handelend koper op de peildatum niet op basis van dit beleidsvoornemen voorzienbaar was. Dat een ieder op de peildatum de notulen van de raadsvergadering van 8 mei 1980 had kunnen raadplegen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat die mogelijkheid niet met zich brengt dat is voldaan aan het in de jurisprudentie van de Afdeling gestelde vereiste van openbaarmaking van een concreet beleidsvoornemen. Deze eis wordt gesteld omdat niet van een belanghebbende verwacht mag worden dat hij op zoek gaat naar documenten die niet openbaar zijn gemaakt en waarvan hij het bestaan niet kent.
Het college heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat [appellant] op de peildatum op de hoogte was van het beleidsvoornemen. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, zijn gemachtigde ter zitting te kennen heeft gegeven dat [appellant] destijds wist wat er speelde, leidt niet tot een ander oordeel. Die verklaring is te onbepaald om op basis daarvan een conclusie te kunnen trekken over wat hij ten tijde van de aankoop van het perceel wist. [appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat, voorafgaand aan de vergadering van 8 mei 1980, slechts was te verwachten dat de raad een beslissing zou nemen over de omvang van de toekomstige woningbouw in Limmen, maar nog niet over de locaties van deze woningbouw. Dat betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel van de rechtbank dat van [appellant] verwacht had mogen worden dat hij, als redelijk denkend en handelend koper, voorafgaand aan de aankoop van het perceel navraag bij de gemeente had gedaan naar de in de vergadering van 8 mei 1980 genomen beslissing. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat [appellant] in zijn onderzoeksplicht is tekortgeschoten en dat hij op de peildatum rekening diende te houden met de kans dat de planologische situatie in het plangebied in ongunstige zin zou veranderen.”
De Afdeling heeft in meerdere uitspraken aangegeven dat de vaststelling van een beleidsvoornemen in een openbare raadsvergadering als zodanig onvoldoende is om de voorzienbaarheid aan te nemen. Zie voor jurisprudentie het trefwoord kenbaarheid in onze kennisbank planschade.