AbRS 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:326, Uit te werken bestemming Lidl Eindhoven

Wederom nieuwe jurisprudentie over de vraag hoe dient te worden omgegaan met een uit te werken bestemming. Onder de vorige WRO was een uit te werken bestemming een titel voor schade. Onder de nieuwe Wro was het mijns inziens van het begin af aan de bedoeling van de wetgever, dat niet de uit te werken bestemming titel voor schade was, doch eerst het uitwerkingsplan (dan wel een ander de uit te werken bestemming opvolgend planologisch regime). De Afdeling ging daar aanvankelijk evenwel niet in mee. Ik verwijs naar bijvoorbeeld AbRS 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7707. De Afdeling overweegt in die uitspraak:

“De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of en zo ja in hoeverre de mogelijkheden van een nog uit te werken bestemming bij een planvergelijking mogen worden betrokken vóór een uitwerkingsplan is vastgesteld. Als gevolg van de uitwerkingsplicht, bedoeld in art. 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro, is het vaststellen van een uitwerkingsplan niet slechts een toekomstige onzekere gebeurtenis. Hoewel de uitwerkingsplicht bij een letterlijke lezing van art. 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro niet kan worden beschouwd als oorzaak van schade in de zin van die bepaling, laat dat onverlet dat sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aannemelijk is dat de uit te werken bestemming vroeg of laat zal worden uitgewerkt. Naar het oordeel van de Afdeling brengt dit met zich dat de mogelijkheden van de uit te werken bestemming bij de planvergelijking niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. Met die mogelijkheden dient aldus rekening te worden gehouden dat nagegaan dient te worden wat ten tijde van de inwerkingtreding van het betrokken besluit naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming van de gronden zou zijn. In dat verband komt onder meer betekenis toe aan de uitwerkingsregels, aan de toelichting bij het bestemmingsplan en aan de mate waarin een en ander, naar aard en omvang, binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid past.”

Deze jurisprudentie leidt tot een aanpassing van artikel 6.1 Wro. Er wordt een zesde lid aan toegevoegd, waarin het volgende is bepaald:

“Schade als gevolg van een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 of artikel 3.6, eerste lid, onder c, of artikel 3.38, derde of vierde lid, wordt eerst vastgesteld op grond van een krachtens die bepalingen genomen besluit.”

Met het zesde lid wordt beoogd duidelijkheid te verschaffen over de vraag welk besluit titel tot planschade is en welke besluiten niet. In het zesde lid wordt overigens artikel 3.6, eerste lid, onder b, niet genoemd en in dat artikellid is nu juist de uitwerkingsverplichting opgenomen. In de toelichting op het zesde lid wordt de uitwerkingsplicht evenwel wél genoemd. Dan volgen de uitspraken AbRS 24 september 2014, zaaknr. 201310873/1/A2 (Veenendaal) en AbRS 15 oktober 2014, 201401879/1/A2 (Geldrop-Mierlo). In de eerste uitspraak komt de volgende passage voor:

“6.4. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, blz. 13-14 en 44-45) valt af te leiden dat de wetgever heeft beoogd dat een uit te werken bestemming niet in de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime mag worden betrokken en geen grond voor een vergoeding van planschade is, zolang geen uitwerkingsplan is vastgesteld en in werking getreden.

 Ten tijde van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade was artikel 6.1, zesde lid, van de Wro nog niet van toepassing. Daarom verzet de rechtszekerheid zich tegen het oordeel dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, de uit te werken bestemming voor woondoeleinden van het plangebied niet tot een tegemoetkoming in planschade kan leiden en bij de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime in haar geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro doet derhalve in dit geval niet af aan de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013.”

Het moet op basis van de die jurisprudentie voor juist worden gehouden dat voor aanvragen binnengekomen op of na 25 april 2013, geldt dat een uit te werken bestemming geen titel voor schade is, doch dat is eerst het uitwerkingsplan (of een ander planologisch regime). Voorts geldt voor die situatie dat de uit te werken bestemming in de planvergelijking buiten beschouwing dient te blijven. Dit leidt ertoe dat te zijner tijd het uitwerkingsplan dient te worden vergeleken met de aan de uit te werken bestemming voorafgaande bestemming.

In de uitspraak van 8 februari 2017 stelt de Afdeling voor wat betreft uitspraken binnengekomen op of na 25 april 2013 het volgende. Bij indirecte schade wordt de in de vorige alinea genoemde wijze van planvergelijking herhaald. Het  uitwerkingsplan (of een ander de uit te werken bestemming opvolgend planologisch regime) dient te worden vergeleken met de aan de uit te werken bestemming voorafgaande bestemming. In de onderhavige casus was evenwel sprake van directe planschade en was het gebruik dat van het perceel en de daarop aanwezige opstallen werd gemaakt niet in strijd met de uit te werken bestemming. In die situatie dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de redelijke verwachting van de invulling van de uit te werken bestemming en de maximale mogelijkheden van het uitwerkingsplan (danwel een ander opvolgend planologisch regime).

De Afdeling overweegt:

“5.10. Niet in geschil is dat de inwerkingtreding van het tweede bestemmingsplan, met de uit te werken bestemming voor woondoeleinden, een positieve invloed op de waarde van de onroerende zaak had. Lidl heeft de eigendom van de onroerende zaak na de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan verkregen. Bij de aankoop van de onroerende zaak is Lidl, als redelijk denkend en handelend koper, nagegaan wat ten tijde van de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming zou zijn.

5.11. Indien vervolgens een uitwerkingsplan was vastgesteld en in werking was getreden en Lidl een aanvraag om tegemoetkoming in planschade als gevolg van dat uitwerkingsplan had ingediend, had het college, met toepassing van de onder 5.9 bedoelde regel, een vergelijking behoren te maken tussen de redelijke verwachting van de invulling van de uit te werken bestemming voor woondoeleinden van het tweede bestemmingsplan en de maximale mogelijkheden van het uitwerkingsplan. Dat is niet in strijd met de bedoeling van de wetgever. In deze situatie bestaat immers niet het risico dat een tegemoetkoming voor theoretische planschade wordt verstrekt. Indien uit de vergelijking zou blijken dat de maximale mogelijkheden van het uitwerkingsplan voor haar groter zijn dan de redelijke verwachting van de invulling van de uit te werken bestemming, is Lidl niet in een nadeliger planologische positie komen te verkeren en heeft zij geen planschade geleden. Indien de maximale mogelijkheden van het uitwerkingsplan voor haar kleiner zouden zijn, is Lidl in een nadeliger planologische positie komen te verkeren.

5.12. In werkelijkheid is geen uitwerkingsplan vastgesteld, maar een andere planologische maatregel genomen, die voor Lidl nadeliger dan de uit te werken bestemming van het tweede bestemmingsplan is en een planologische verslechtering betekent. Indien uit de schadetaxatie blijkt dat deze planologische verslechtering tot vermindering van de waarde van de onroerende zaak heeft geleid en daarvoor een tegemoetkoming in planschade zou worden verstrekt, is dat geen tegemoetkoming in theoretische schade, die Lidl niet of slechts gedeeltelijk lijdt. Dit betekent dat de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro zich in dit geval niet verzet tegen het betrekken van de uit te werken bestemming, als onderdeel van het oude planologische regime, in de vergelijking met het nieuwe planologische regime.”

Een begrijpelijk standpunt van de Afdeling in relatie tot het huidige feitencomplex. Te weten: onder de uit te werken bestemming was het gebruik legaal en beoordeeld diende te worden of ten opzichte van die planologische situatie planologisch nadeel was opgetreden.

Bij directe planschade zijn evenwel nog andere varianten denkbaar dan de onderhavige, waarin mijns inziens tot een andere planvergelijking dient te worden overgegaan. Namelijk in die situatie waar de uit te werken bestemming bij directe planschade een beperking met zich meebrengt ten opzichte van het daaraan voorafgaande plan. De uit te werken bestemming is geen titel voor schade, dat is eerst het uitwerkingsplan. Het uitwerkingsplan zal dan ook in die situatie bij directe planschade vergeleken dienen te worden met de aan de uit te werken bestemming voorafgaande bestemming.

Op 8 februari 2017 heeft de Afdeling nog een uitspraak gedaan waar een uit te werken bestemming onderwerp van geschil was. Deze uitspraak kan ik op basis van het aan mij bekende feitencomplex, te weten: de aanvraag dateert van na 25 april 2013 en het betreft een geval van indirecte planschade, niet plaatsen in de jurisprudentie van de Afdeling, omdat de schadeveroorzakende planologische maatregel daar wordt vergeleken met de uit te werken bestemming en niet met de daaraan voorafgaande bestemming.

 

 

Scroll naar boven