AbRS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1052, Tracébesluit Leeuwarden (terugkomen op tussenuitspraak)

In deze casus handelde het om de voorzienbaarheid van de schade.  De aanleg van de zogenaamde Haak om Leeuwarden was ten tijde van de investeringsbeslissing wel voorzienbaar maar de afsluiting van de Hendrik Algraweg volgens de Afdeling in  de tussenuitspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1049) niet. De Afdeling draagt om die reden de minister in de tussenuitspraak op een nader deskundigenadvies in te winnen, waarbij dient te worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre de afsluiting van de Hendrik Algraweg gevolgen voor de verkeersstromen van en naar het bedrijfspand aan de Morseweg heeft en bij appellante en anderen schade heeft veroorzaakt.

De minister keert zich tegen de vaststelling door de Afdeling dat in het tracébesluit is bepaald dat de Hendrik Algraweg wordt afgesloten en stelt dat gestelde schade niet in oorzakelijk verband staat tot het Tracébesluit.

De Afdeling overweegt:

“9.3.    De Afdeling kan behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3222).

9.4.    Uit het advies van de commissie, dat de minister aan zijn brief en nadere besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, volgt dat de stelling van [appellante A] en anderen dat in het tracébesluit is vastgelegd dat de Hendrik Algraweg wordt afgesloten, nuancering behoeft.

In het tracébesluit is bij Deeltraject 2 vermeld dat de bestaande spoorwegonderdoorgang van het westelijk deel van de Hendrik Algraweg, inclusief de aansluitende weggedeelten, wordt gesloopt. Voorts is bij Deeltraject 3 vermeld dat het oostelijk deel van de Hendrik Algraweg aan de huidige functie wordt onttrokken. Volgens de commissie is hiermee bedoeld dat het oostelijk deel van de Hendrik Algraweg, zijnde de belangrijkste toegangsroute tot het bedrijfspand, na de inwerkingtreding van het tracébesluit niet langer een rijksweg is, maar een gemeentelijke weg.

Uit het tracébesluit valt derhalve niet af te leiden dat de Hendrik Algraweg in planologische zin in zijn geheel uit de wegenstructuur wordt verwijderd. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat in het tracébesluit niet is bepaald dat de Hendrik Algraweg wordt afgesloten. De Afdeling heeft, gelet daarop, teveel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de minister ter zitting de stelling van [appellante A] en anderen niet heeft weersproken. De Afdeling heeft evenwel haar oordeel dat de minister ontoereikend heeft gemotiveerd dat de schade, voor zover die verband houdt met de afsluiting van de Hendrik Algraweg, voorzienbaar was, op deze stelling gebaseerd. Nu is gebleken dat deze stelling onjuist is, ziet de Afdeling aanleiding om terug te komen op dat oordeel. De Afdeling zou anders een einduitspraak moeten doen, waarvan zij weet dat deze op een onjuist uitgangspunt is gebaseerd.

In zijn brief van 24 augustus 2016, gelezen in samenhang met het nader advies van de commissie, heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat het voor schadevergoeding vereiste oorzakelijk verband tussen het tracébesluit en schade in verband met een verwijdering of afsluiting van de Hendrik Algraweg ontbreekt. Voor zover deze schade voor [appellante A] en anderen ten tijde van de investeringsbeslissing niet voorzienbaar was, laat dat onverlet dat deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het tracébesluit en reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.”

Deze uitspraak is opgenomen omdat de Afdeling slechts in zeer uitzonderlijke gevallen op een in een tussenuitspraak gegeven oordeel terugkomt.

Scroll naar boven