AbRS 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1022 Maximale invulling Kerkrade

In deze casus is de maximale invulling van een bestemming weer eens onderwerp van discussie. Het lijkt zo simpel maar is het in de praktijk niet. De jurisprudentie van de Afdeling draagt ook niet altijd bij tot duidelijkheid. De hoofdregel is dat voor zowel het oude als het nieuwe planologische regime geldt dat uit dient te worden gegaan van een maximale invulling. Dit is anders als een dergelijke invulling met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dient te worden uitgesloten en daar handelen veel geschillen over.

In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de Afdeling zelf op haar zittingen aangeeft dat zij “de lat hoog legt” voor wat betreft het aannemen van een uitzondering op de hoofdregel van maximale invulling. Als wordt  gekeken naar de jurisprudentie van de Afdeling dan zijn er in ieder geval 2 groepen van uitzonderingen te onderscheiden. De eerste is die waar regelgeving uit andere rechtsgebieden in de weg staat aan de maximale invulling van een bestemming. Denk bijvoorbeeld aan dwingende voorschriften uit het milieurecht, of uit het burenrecht die aan een maximale invulling in de weg staan. Ook indien de fysieke ruimte ontbreekt om een bouwwerk te realiseren dient een uitzondering op de hoofdregel te worden gemaakt.

Is er nog een derde groep van uitzonderingen aan te wijzen ? Uit een aantal uitspraken van de Afdeling zou kunnen worden afgeleid dat de Afdeling van een redelijke in plaats van de maximale invulling lijkt uit te gaan. Gewezen wordt onder meer op AbRS 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1605 en AbRS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3726. In de eerste uitspraak komt de Afdeling in afwijking van de hoofdregel tot een redelijke invulling. Uit de uitspraak van 9 december 2015, zou kunnen worden afgeleid dat de maximale invulling niet enkel een theoretische mogelijkheid mag betreffen. Aan de eerste  uitspraak kan mijns inziens geen algemene werking worden toegekend. Indien voor een redelijke invulling zou worden gekozen, dan komt de rechtszekerheid in het geding en zou bovendien een veelheid van zaken aan de rechter worden voorgelegd. Wat precies de reikwijdte is van de tweede uitspraak laat zich op dit moment raden.

In casu volgt de beperking uit de voorschriften. Deze boden de mogelijkheid voor de bouw van kleine, niet voor bewoning bestemde gebouwen. Een bouwhoogte was in de voorschriften niet gegeven. Voor de aanvullende werking van de bouwverordening was vanwege de kwalificatie “kleine” gebouwen geen plaats in relatie tot de maximale bouwhoogte van gebouwen. De Afdeling had zich overigens al eens in die zin uitgelaten. Zie AbRS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1347.

De bouwverordening werkt overigens niet meer aanvullend voor bestemmingsplannen in werking getreden na 29 november 2014. In dat soort situaties is the sky the limit.

Ook uit de onderhavige uitspraak volgt dat de Afdeling niet wil weten van een redelijke invulling. De rechtbank had in zijn adviesopdracht naar de StAB aangegeven dat zij bij de te maken planvergelijking uit diende te gaan van hetgeen redelijkerwijs ten behoeve van de bestemming “Spoorwegdoeleinden” zou zijn gerealiseerd. Mede om die reden heropent de Afdeling het onderzoek en verzoekt de StAB nader verslag uit te brengen, maar dan uitgaande van een maximale invulling, tenzij bebouwing met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten.

 

Scroll naar boven