Ook in deze uitspraak gaat het weer eens om de voorzienbaarheid van schade ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak waaraan de schade zich heeft voltrokken. Ten tijde van de aankoop gold in casu een Plan van uitbreiding Zuidwolde, Plan in onderdelen Zuidwolde, van 22 augustus 1956. Dergelijke plannen kenden veelal uitgebreide bebouwingsmogelijkheden. Op basis van dat planologische regime was bebouwing ten behoeve van een boerderij met bedrijfswoning mogelijk. De ruimtelijke gevolgen van deze bebouwing zouden minimaal vergelijkbaar zijn met die van de als gevolg van de planologische wijziging ter plaatse mogelijk gemaakte woning.
Aanvragers betogen in hoofdlijnen dat als gevolg van de inwerkingtreding van latere bestemmingsplannen het plan in onderdelenheeft opgehouden te bestaan, dat de geleden schade niet voorzienbaar was op grond van het latere bestemmingsplan en dat een tegemoetkoming in planschade zou zijn toegekend, indien zij hun woningen na de inwerkingtreding van het latere bestemmingsplan hadden gekocht. Verder betogen zij dat bebouwing ten behoeve van een boerderij met bedrijfswoning in het plangebied ten tijde van de aankoop van hun woningen ook anderszins niet meer voorzienbaar was. In dit verband voerden zij aan dat de gemeente destijds het beleidsvoornemen had een weg in het plangebied aan te leggen en dat het ook om die reden onder het plan in in onderdelen onmogelijk was op de bouwkavel een woning met schuurruimte in het hoofdgebouw van ten minste 350 m² neer te zetten.
De Afdeling overweegt:
“6. Voor het antwoord op de vraag of de inwerkingtreding van het derde bestemmingsplan voor [appellanten] tot schade heeft geleid, dient een vergelijking tussen de planologische mogelijkheden in het plangebied onder het tweede en derde bestemmingsplan te worden gemaakt, waarbij de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het derde bestemmingsplan beslissend is. Deze vraag dient te worden onderscheiden van de vraag of de schade voor hen voorzienbaar was. Voor het antwoord op die laatste vraag is de situatie ten tijde van de aankoop door [appellanten] van de woningen beslissend. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU8882). Indien de schade op dat moment voorzienbaar was, mag deze, gelet op artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro, voor hun rekening worden gelaten. In dit verband komt betekenis toe aan de planologische mogelijkheden van het eerste bestemmingsplan. Dat het eerste bestemmingsplan onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het derde bestemmingsplan niet meer van toepassing was in het plangebied, is, gelet op de uitspraak van 21 december 2011, niet relevant.
7. Volgens de adviezen van de SAOZ was het ten tijde van de aankoop door [appellanten] van de woningen, gelet op het destijds toepasselijke eerste bestemmingsplan, toegestaan in het plangebied bebouwing te realiseren met ten minste dezelfde ruimtelijke gevolgen als van de krachtens het derde bestemmingsplan mogelijk gemaakte woning. In het betoog in hoger beroep is geen concreet aanknopingspunt te vinden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit onderdeel van de adviezen. [appellanten] hebben evenmin een rapport van een andere deskundige overgelegd, waarin de adviezen van de SAOZ gemotiveerd zijn bestreden. Voor zover de gemeente destijds het beleidsvoornemen had een weg in het plangebied te realiseren, waardoor bebouwing niet meer mogelijk was, laat dat onverlet dat een redelijk denkend en handelend koper ook rekening zou moeten houden met de kans dat de gemeente dit voornemen niet zou uitvoeren.
Van een redelijk denkend en handelend koper mag voorts worden verwacht dat hij de bestaande planologische mogelijkheden in het plangebied betrekt in zijn overwegingen tot aankoop van de woning en de daarvoor te betalen prijs en dat hij rekening houdt met de kans dat die mogelijkheden vroeg of laat worden benut. Voor zover [appellanten] dat niet hebben gedaan, doet dat niet af aan de ten tijde van de aankoop bestaande kans dat die mogelijkheden zouden worden benut, zodat de schade, bestaande uit een waardevermindering van de woning, voorzienbaar was en voor hun rekening dient te worden gelaten.
8. Bij de inwerkingtreding van het tweede bestemmingsplan zijn de krachtens het eerste bestemmingsplan bestaande planologische mogelijkheden tot het realiseren van bebouwing ten behoeve van een boerderij met bedrijfswoning in het plangebied vervallen. [appellanten] hadden daarbij een voordeel. Dat voordeel hebben zij bij de inwerkingtreding van het derde bestemmingsplan verloren.
In het betoog is geen grond te vinden voor het oordeel dat het uit een verlies van een tijdelijk voordeel bestaande nadeel redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de aanvragers mag worden gelaten. Indien [appellanten] de woningen na de inwerkingtreding van het tweede bestemmingsplan hadden gekocht, zou dit anders zijn, omdat zij in dat geval ten tijde van de aankoop geen rekening hoefden te houden met een waardevermindering van de woningen als gevolg van het benutten van de onder het eerste bestemmingsplan nog bestaande planologische mogelijkheden in het plangebied. In dit opzicht kan derhalve niet staande worden gehouden dat, zoals [appellanten] in hoger beroep met zoveel woorden aanvoeren, de besluiten van het college tot een ongerechtvaardigd onderscheid hebben geleid.
Het betoog faalt.”
Het is vaste jurisprudentie dat de voorzienbaarheid dient te worden beoordeeld naar het moment van de aankoop van de onroerende zaak waaraan de schade zich heeft voltrokken. Zoals ik al eerder heb aangegeven in mijn nieuwsbrieven behoeft de specifieke schadeveroorzakende ontwikkeling niet voorzienbaar te zijn, maar bepalend is of aanvrager ten tijde van de aankoop al geconfronteerd kon worden met de kans op ontwikkelingen die van invloed zouden zijn op de waarde van de onroerende zaak en die ontwikkelingen tenminste dezelfde ruimtelijke gevolgen zouden kunnen hebben als die van het schadeveroorzakende plan. Om te bepalen of die ontwikkelingen een tenminste vergelijkbare invloed op de waarde van de onroerende zaak zouden hebben gehad als het schadeveroorzakende planologische regime, dient een vergelijking tussen beide te worden gemaakt. Indien de invloed van de eerdere ontwikkeling niet ten minste vergelijkbaar was met die van het schadeveroorzakende regime is van gedeeltelijke voorzienbaarheid sprake.