In casu was de vraag aan de orde of de beschrijving in hoofdlijnen in het kader van de planvergelijking als rechtstreeks en aanvullend toetsingskader kan dienen. De beschrijving in hoofdlijnen bevat in zijn algemeenheid beleid en geen de burger rechtstreeks bindende normen. De Afdeling wijkt daar in deze uitspraak ook niet van af, maar komt aan toetsing aan de mogelijk aanvullende werking van de beschrijving in hoofdlijnen niet toe, omdat de overige bepalingen voldoende duidelijkheid bieden over de reikwijdte van de bestemming.
Aanvrager voert aan, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:490), 1 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9076) en 12 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7108), dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling als uitgangspunt geldt dat een beschrijving in hoofdlijnen waarin de term ‘nastreven’ is gebruikt wijst op een inspanningsverplichting en niet op een resultaatverplichting en daarom onvoldoende duidelijk is geformuleerd om als rechtstreeks aanvullend toetsingskader te dienen.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in artikel 3 weliswaar is vermeld dat in hoofdlijnen wordt beschreven op welke wijze met het plan de doeleinden worden nagestreefd die zijn toegekend aan alle gronden binnen het plan, maar dat daarna duidelijk en normatief geformuleerde bepalingen volgen over de toelaatbaarheid van kantoren en bedrijven naar plaats binnen het plangebied, alsook een verbod op zogenoemde A-inrichtingen en bepaalde detailhandelsbedrijven. Verder luidt het opschrift van artikel 4, lid 4.2, weliswaar ‘Beschrijving in hoofdlijnen’, maar volgt uit de formulering daarvan dat in die bepaling de in het plangebied toelaatbare milieucategorieën en detailhandelsfuncties duidelijk en concreet zijn geformuleerd. Daaraan voegt het college toe dat de term ‘nagestreefd’ in deze artikelen slechts is ontleend aan het toenmalige artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening. Volgens het college moeten de artikelen 3 en 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan worden betrokken bij de planvergelijking. Het college voert aan dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4584) heeft overwogen dat wanneer een in de beschrijving in hoofdlijnen opgenomen artikel duidelijk en concreet is geformuleerd, dit kan functioneren als rechtstreekse toetsingsnorm voor het toegestane gebruik.
De Afdeling overweegt als volgt.
“4.3. De betekenis die moet worden gehecht aan de term ‘nastreven’ in de algemene beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3 en de specifieke beschrijving in hoofdlijnen in artikel 4, lid 4.2, van de voorschriften van het bestemmingsplan is, anders dan BAIA betoogt, in deze zaak niet van belang. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
De percelen van BAIA zijn ingevolge het bestemmingsplan bestemd voor bedrijfsdoeleinden en daarop is artikel 4 “Bedrijven” van de planvoorschriften van toepassing. Artikel 4, lid 4.1, bevat de doeleinden en lid 4.2 bevat de beschrijving in hoofdlijnen voor deze bestemming. In de aanhef van lid 4.2 wordt de algemene beschrijving in hoofdlijnen van artikel 3 op deze bestemming van toepassing verklaard. Ingevolge lid 4.3 zijn op de onder 4.1 en 4.2 vermelde gronden, naast de op het tijdstip van tervisielegging van het plan bestaande bouwwerken, werken geen gebouwen zijnde en werkzaamheden, uitsluitend bouwwerken, werken geen gebouwen zijnde en werkzaamheden toegestaan ten behoeve van de onder 4.1 omschreven doeleinden, welke in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 3 en onder 4.2. Artikel 9 van de voorschriften bevat een algemene gebruiksbepaling, inhoudende dat gronden en bouwwerken niet mogen worden gebruikt voor een doel of op een wijze die strijdig is met het bepaalde in het bestemmingsplan. Het bepaalde in artikel 4, lid 4.3, gelezen in samenhang met artikel 9, van de voorschriften betekent dat het bepaalde in artikel 3 en artikel 4, lid 4.2, van de voorschriften bij de planvergelijking moet worden betrokken, zoals Van Zundert in zijn advies heeft gedaan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college mocht afgaan op de planvergelijking in het advies van Van Zundert.”