Schade die tot het normale maatschappelijke risico behoort komt niet voor vergoeding in aanmerking. In hoofdlijnen over het toepassen van de drempel het volgende. Voor uitgebreidere informatie zie op de website in de kennisbank onder het trefwoord normale maatschappelijke risico in het bijzonder het subtrefwoord hoogte drempel. De forfaitaire drempel in het planschaderecht bedraagt bij indirecte schade 2 % van het inkomen of vermogen voorafgaand aan de planologische wijziging. Voordat aan toepassing van het forfait wordt toegekomen, dient op basis van het eerste lid van artikel 6.2 Wro onderzocht te worden of de planologische wijziging in de lijn der verwachtingen lag, waardoor de drempel in beginsel zowel bij directe als indirecte planschade naar 5 % van het inkomen (of vermogen) voorafgaand aan de planologische wijziging kan worden opgetrokken. Uit AbRS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:530 volgt mijns inziens, dat in beginsel van een drempel van 5 % dient te worden uitgegaan, als aan alle relevante omstandigheden van het geval voldaan is. Dit geldt mijns inziens ook voor andere planologische ontwikkelingen dan de in die uitspraak aan de orde zijnde inbreiding met woningen.
In het nadeelcompensatierecht worden hogere drempels gehanteerd. Waar voorheen vaak een minimale drempel van 15 % bij inkomensschade werd gehanteerd, dient op basis van de huidige jurisprudentie onderzocht te worden of een dergelijke drempel, gelet op de kostenstructuur en de verhouding tussen kosten en omzet van de onderneming, niet tot een abnormale last leidt. De verwachting volgens deskundigen is dat het planschaderecht en het nadeelcompensatierecht naar elkaar toe zullen groeien. Dat lijkt mij enerzijds voor de hand liggend omdat aan beide het égalité-beginsel ten grondslag ligt dat verplicht tot het vergoeden van schade als sprake is van een abnormale en speciale last. Anderzijds zijn er ook verschillen aan te wijzen. Daar waar bij nadeelcompensatie vaak in hoofdzaak publieke belangen debet zijn aan de maatregel, zijn er bij planologische maatregelen naast maatschappelijke of publieke belangen ook vaak andere niet maatschappelijke belangen aan te wijzen, zoals private, waarbij men zich kan afvragen of een vergelijkbare drempel als in het nadeelcompensatierecht wel gerechtvaardigd is.
In casu was de vraag weer eens aan de orde of de drempel bij het filiaalbedrijf diende te worden opgelegd of op concernniveau. De schade en de vergoeding ervan dient daar te worden neergelegd waar deze zich manifesteren. In casu was het gelaedeerde tankstation zowel in economische als in juridische zin een onlosmakelijk onderdeel van Pompeneiland B.V en vormt als zodanig geen zelfstandige entiteit.
De rechtbank oordeelde dat die drempel niet mocht worden toegepast op de totale brutowinst van Pompeneiland BV, maar alleen op die van vestiging Postelse Hoek.
Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de toe te passen drempel moet worden toegepast op de totale brutowinst van Pompeneiland BV en niet slechts op de vestiging Postelse Hoek. Volgens het college is die vestiging geen juridisch, economisch en organisatorisch zelfstandige entiteit. Dit betekent dat, gelet op de vaste rechtspraak, de beoordeling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico dient te geschieden op het niveau van het moederbedrijf en niet op het niveau van het filiaalbedrijf. Het college verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli (lees: 13 maart) 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3967).
De Afdeling overweegt als volgt:
“6.1. Uit de overwegingen 6.1 en 6.2 van de tussenuitspraak van 13 maart 2013, blijkt dat de omzet of de brutowinst op concernniveau moet worden genomen in plaats van op filiaalniveau. De Afdeling ziet in dit geval geen aanleiding anders te oordelen. In dit verband maakt het geen verschil of die juridische eenheid een landelijk opererende keten is, zoals in het geval dat heeft geleid tot de uitspraak van 3 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:122), of een regionaal bedrijf zoals Pompeneiland BV. Dit betekent dat Pompeneiland BV als juridische eenheid de schade moet dragen en dat het normaal maatschappelijk risico dient te worden gerelateerd aan die juridische eenheid. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het college ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de drempel van 2% is toegepast op de totale brutowinst van Pompeneiland BV en niet uitsluitend op de brutowinst van de vestiging Postelse Hoek.”