In deze casus komt het normaal maatschappelijk risico (nmr) in relatie tot directe planschade weer eens aan de orde. De meeste uitspraken gaan over het nmr in relatie tot indirecte planschade. In casu was de vraag aan de orde of de invoering van het noodzakelijkheidscriterium in de lijn der verwachtingen lag. De adviseur van de gemeente en in navolging daarvan het college waren deze mening toegedaan. Aanvrager vond dat daar geen sprake van was.
De Afdeling overweegt:
“8.5. De forfaitaire drempel van 2% als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro is niet van toepassing in een geval van directe planschade, als hier aan de orde. Aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro komt evenwel zelfstandige betekenis toe. Alleen die schade wordt vergoed, welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de tussenuitspraak en in haar uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel, aldus voormelde uitspraken.
8.6. Zoals de Afdeling voorts in de uitspraak van 28 september 2016 heeft overwogen, betekent de omstandigheid dat een bepaalde planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling is aan te merken, zoals het college stelt, op zichzelf nog niet dat deze planologische ontwikkeling in de lijn van de verwachtingen lag. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat het nieuwe bestemmingsplan een conserverend karakter heeft en dat in de plantoelichting is vermeld dat het beleid erop is gericht de van oudsher aanwezige sterke menging van wonen en werken en detailhandel te behouden en te stimuleren. Gelet hierop, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de invoering van de noodzakelijkheidseis naar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Het college heeft zijn stelling dat de invoering van de noodzakelijkheidseis binnen het gevoerde planologische beleid valt, niet aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Het college heeft geen bestemmingsplannen genoemd waarin de noodzakelijkheidseis ook is opgenomen. [appellant] heeft daarentegen onweersproken aangevoerd dat in de bestemmingsplannen “Lintbebouwing Westzaan” en “Industrieterrein Molletjesveer”, vastgesteld in dezelfde periode als het bestemmingsplan “Centrum Assendelft”, gemotiveerd uiteen is gezet dat de noodzakelijkheidseis die oorspronkelijk hierin zou worden opgenomen, is vervallen. Het college heeft op de zitting van 20 januari 2016 naar voren gebracht dat het de noodzakelijkheidseis bij bouwvergunningaanvragen toepaste indien ruimte voor een belangenafweging bestond, bijvoorbeeld bij vrijstellingen. Gelet op het beperkte toepassingsbereik, heeft het college ook niet met de enkele stelling dat de noodzakelijkheidseis reeds bij bouwvergunningprocedures werd toegepast, aannemelijk gemaakt dat [appellant] met een planologische ontwikkeling van de omvang als hier aan de orde rekening hoefde te houden. Het college heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de invoering van de noodzakelijkheidseis in de lijn van de verwachtingen lag. Het heeft de beantwoording van de vraag of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt niet naar behoren gemotiveerd.”
De Afdeling toetst aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval of de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Dat een bepaalde planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling is aan te merken leidt nog niet toet het oordeel dat de ontwikkeling daarmee in de lijn van de verwachtingen lag. Bijzondere omstandigheden, zoals andersluidend planologisch beleid of het niet behoeven te verwachten vanwege de planologische structuur van de omgeving, leiden tot het oordeel dat de ontwikkeling niet in de lijn der verwachtingen lag. Zo ook hier. Voor meer informatie. Zie de kennisbank planschade of de website van Langhout & Wiarda, onder het trefwoord normaal maatschappelijk risico. Voor de volledige tekst van de uitspraak klik hier.