AbRS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3901, Wijziging grondslag besluit Mill en Sint Hubert

In deze uitspraak ging het onder meer de vraag of het college van burgemeester en wethouders in hoger beroep de afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in schade kon baseren op een andere grondslag. Aanvrager was passieve risicoaanvaarding tegengeworpen vanwege verwijtbaar stilzitten na de terinzagelegging van een voorontwerpbestemmingsplan waaruit de beperking van de bebouwing- en gebruiksmogelijkheden reeds kon worden afgeleid. Echter dit weer door de rechtbank niet gesanctioneerd. De redenen daarvan volgen uit volledige lezing van de uitspraak. In hoger beroep stelde het college onder meer dat de schade niet was veroorzaakt door het bestemmingsplan maar aan een daaraan voorafgaande provinciale verordening.

De Afdeling overweegt met betrekking tot deze wijziging van de grondslag van het besluit bij een nieuwe beslissing op bezwaar als volgt:

“8.1.    De Afdeling stelt voorop dat het in dit geval gaat om een nader besluit na vernietiging door de rechtbank van het eerdere besluit op bezwaar. De bezwaarprocedure strekt op zich tot een volledige heroverweging door het bestuursorgaan van een eerder genomen besluit. In dit geval heeft het college bij het nieuw te nemen besluit een geheel nieuwe grondslag voor de afwijzing van een tegemoetkoming in planschade opgevoerd. Het college was er als gevolg van de rechtbankuitspraak evenwel toe gehouden opnieuw te beslissen op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar met inachtneming van die uitspraak. In die uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de waardedaling van het perceel van [wederpartij] het gevolg is van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied Mill en Sint Hubert”. Dat het college dit standpunt in de procedure in eerste aanleg heeft ingenomen heeft het college in hoger beroep niet bestreden. Door zich in zijn besluiten van 28 juli 2015 en 6 juni 2016 en in beroep op het standpunt te stellen dat de waardedaling van het perceel van [wederpartij] het gevolg is van de inwerkingtreding van genoemd bestemmingsplan en door daarmee dit plan uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud als schadeoorzaak aan te merken en te erkennen, stond het het college niet meer vrij zich in deze fase van het geding nog op het standpunt te stellen dat de schade die [wederpartij] lijdt het gevolg is van de inwerkingtreding van de “Verordening ruimte Noord-Brabant 2012” en niet van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied Mill en Sint Hubert”. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier gaat om een tweepartijengeschil over een planschadevergoeding als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro en voor het college geen belemmering bestond om het eerst in hoger beroep ingenomen standpunt al van meet af aan in te nemen. Het onnodig uitstellen van deze prealabele afwijzingsgrond tot in deze fase van het geding zou [wederpartij] naar het oordeel van de Afdeling onevenredig belasten en belemmert een efficiënte rechtsgang.”

Uit vorenstaande volgt het belang van een goede voorbereiding van de besluitvorming.

Scroll naar boven