In de onderhavige uitspraak was de vraag aan de orde of de schade anderszins verzekerd was, dan wel de compensatie in natura juist nog onzeker was. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk. In de beslissing in primo (en bij bezwaar gehandhaafd) is bepaald dat de tegemoetkoming in geld met een extra bedrag van € 7.500,00 wordt verhoogd, indien de herziening van het bestemmingsplan, waarbij een deel van de schade in natura zal worden hersteld, niet vóór 30 september 2016 wordt vastgesteld of na vaststelling niet onherroepelijk wordt. In dat laatste, niet onherroepelijk wordt, zit het venijn. De Afdeling oordeelt terecht dat daarmee de tegemoetkoming in planschade afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis.
De Afdeling overweegt:
“11. De rechtbank heeft het volgende overwogen naar aanleiding van de beroepsgrond van [appellant] dat tegen het ontwerp van de eerste herziening van het bestemmingsplan een groot aantal zienswijzen is ingediend, dat het hoogst onzeker is dat de herziening onherroepelijk wordt en dat, gelet op de rechtszekerheid, de gestelde voordelen van de herziening daarom niet bij de beoordeling betrokken mogen worden.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de eerste herziening, die op 26 mei 2016 is vastgesteld, voorziet in een beperking van het aantal evenementen in het plangebied en een limitering van de geluidproductie bij evenementen. In navolging van het advies heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de herziening de mogelijk nadelige gevolgen van evenementen inperkt ten aanzien van het aantal bezoekers en de geluidbelasting. Dit leidt tot een voordeel ten opzichte van het bestemmingsplan. Het college heeft dit voordeel, in navolging van het advies, getaxeerd op een bedrag van € 7.500.
Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de eerste herziening nog niet onherroepelijk is en dat tegen de vaststelling van deze herziening beroep bij de Afdeling is ingesteld. Zolang de Afdeling geen uitspraak heeft gedaan op dat beroep, bestaat geen zekerheid over de vraag of het gestelde voordeel van de herziening ten opzichte van het bestemmingsplan zich ook daadwerkelijk zal voordoen. De rechtbank is echter van oordeel dat het college die onzekerheid voldoende heeft ondervangen door in het besluit van 26 januari 2016 op te nemen dat aan [appellant] een extra bedrag van € 7.500,00 wordt betaald, indien de herziening niet vóór 30 september 2016 is vastgesteld of niet onherroepelijk wordt. Het betoog van [appellant] dat het gestelde voordeel, gelet op de rechtszekerheid, niet bij de beoordeling mag worden betrokken, slaagt dan ook niet, aldus de rechtbank.
12. [appellant] betoogt dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. Daartoe voert hij aan dat het in procedureel opzicht onjuist is dat de tegemoetkoming in een deel van de geleden schade afhankelijk is gesteld van het vaststellen en onherroepelijk worden van de eerste herziening van het bestemmingsplan. Voorts voert hij aan dat tegen het besluit van 26 mei 2016, waarbij de herziening is vastgesteld, beroep bij de Afdeling is ingesteld en dat zolang de Afdeling geen oordeel over dat beroep heeft gegeven, niet kan worden vastgesteld of de herziening ertoe heeft geleid dat tegemoetkoming in een deel van de schade anderszins is verzekerd.
12.1. In de overzichtsuitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) heeft de Afdeling onder 5.41 tot en met 5.47 onder meer het volgende overwogen.
Tegemoetkoming in planschade kan in voorkomende gevallen bestaan uit compensatie in natura, in welk gevallen schadevergoeding in geld achterwege kan blijven, omdat tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd. De voorkeur van degene die schade lijdt voor een bepaalde wijze van compenseren, is daarbij niet doorslaggevend. Het bestuursorgaan mag bij het tegemoetkomen in de schade uitgaan van de wijze van compenseren die de laagste kosten met zich brengt.
Het is niet noodzakelijk dat de schade reeds ten tijde van het ontstaan daarvan in natura is gecompenseerd. Het gaat er om of ten tijde van de beslissing op het verzoek om tegemoetkoming in planschade die tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd.
Bij compensatie in natura is voorafgaande vaststelling van de schade in geld niet noodzakelijk.
Compensatie in natura kan bij planschade in de vorm van waardevermindering door een wijziging van het planologische regime van de onroerende zaak van de aanvrager (de zogenoemde directe planschade) onder meer bestaan uit herstel van de door een wijziging van het planologische regime weggevallen bouwmogelijkheid. In dat geval kan tegemoetkoming in geld achterwege blijven, omdat de (tegemoetkoming in) schade anderszins is verzekerd.
Het wegnemen van schade kan bij de zogenoemde indirecte planschade onder meer bestaan uit herstel van de door een wijziging van het planologische regime verruimde bouw- of gebruiksmogelijkheden van gronden van derden, of door het alsnog verbinden van beperkende bouw- of gebruiksvoorschriften aan het nieuwe planologische regime.
Tegemoetkoming in schade door compensatie in natura is niet voldoende anderszins verzekerd, wanneer deze afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis.
Wanneer het, gelet op de procedures die moeten worden gevoerd ten behoeve van het planologische regime dat voorziet in compensatie in natura, niet geheel zeker is of dit planologische regime in werking zal treden, betekent dit niet zonder meer dat compensatie in natura zinledig is, indien het bestuursorgaan zodanige toezeggingen heeft gedaan, dat de onzekerheid over deze procedures voldoende is ondervangen. Daarbij komt in voorkomende gevallen betekenis toe aan de omstandigheid of met deze toezeggingen met voldoende zekerheid vaststaat dat, mocht blijken dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs, zal worden vastgesteld en dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag. Voorts komt in voorkomende gevallen ook betekenis toe aan de omstandigheid of de compenserende voorziening, gedurende een voldoende lange periode, ook wordt geboden aan rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel.
12.2. In het besluit van 26 januari 2016 is bepaald dat de tegemoetkoming in geld met een extra bedrag van € 7.500,00 wordt verhoogd, indien de herziening van het bestemmingsplan niet vóór 30 september 2016 wordt vastgesteld of na vaststelling niet onherroepelijk wordt. Dit betekent dat het college de tegemoetkoming in planschade in de vorm van compensatie in natura onder meer afhankelijk heeft gesteld van de toekomstige, onzekere gebeurtenis dat de herziening, na vaststelling, ook onherroepelijk wordt. Het college heeft de onzekerheid over de duur en uitkomst van een beroepsprocedure niet ondervangen door in het besluit op te nemen dat uitbetaling van het in het besluit vermelde extra bedrag na een in het besluit vastgestelde datum zal plaatsvinden, indien de herziening, waarbij compensatie in natura wordt geboden, op die datum niet onherroepelijk is.
Ten tijde van het besluit van 11 mei 2016 was de herziening nog niet onherroepelijk. Dat betekent dat het college in dat besluit ten onrechte het standpunt heeft gehandhaafd dat tegemoetkoming in een deel van de door [appellant] geleden planschade voldoende anderszins is verzekerd.
Het betoog slaagt.”
Zie AbRS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3327.
Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder het trefwoord: schade anderszins verzekerd / herstel in natura.
Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.