Voor veel asielzoekerscentra geldt dat deze door een wijziging/afwijking van het bestemmingsplan tijdelijk planologisch mogelijk worden gemaakt. Tijdelijke vermogensschade komt in beginsel evenwel niet voor vergoeding in aanmerking. De waardevermindering van de onroerende zaak dient duurzaam te zijn. Tijdelijke inkomensschade komt, indien sprake is van een abnormale en speciale last waardoor een ondernemer onevenredig wordt getroffen, komt onder aftrek van het normale ondernemersrisico wel voor vergoeding in aanmerking.
Welke vermogensschade is tijdelijk en welke vermogensschade is niet meer als tijdelijk te kwalificeren. Op dit moment is daar nog geen duidelijke jurisprudentie over.
Met betrekking tot het al dan niet tijdelijk zijn van de schade wijs ik op het volgende. Op grond van artikel 4, aanhef en onder sub 11, bijlage 2 van het Bor kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te wijken van het bestemmingsplan voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 t/m 10, voor een termijn van maximaal 10 jaar. Dit is in feite een vangnet. In onderdeel 9 is trouwens de mogelijkheid tot afwijking opgenomen ten behoeve van het gebruik van bouwwerken eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Onderdeel 9 is niet aan maximum termijn gebonden. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, van het Bor komt aan gedeputeerde staten de bevoegdheid toe om medewerking te verlenen voor de opvang van asielzoekers mits sprake is van een provinciaal belang.
Het betreft afwijkingsbevoegdheden, waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Een dergelijke afwijking vormt op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, Wro een titel voor planschade. Vraag is of een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan voor de termijn van 10 jaar leidt tot schade.
Uit AbRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1621 volgt dat tijdelijke vermogensschade in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt.
De Afdeling overweegt:
“De gestelde schade bestaande uit waardedaling van de onroerende zaak is slechts tijdelijk van aard en geeft daarom in beginsel geen aanspraak op een tegemoetkoming (vergelijk onder meer de uitspraak van 18 november 2009 in zaak nr. 200809275/1/H2).”
In de uitspraak van 18 november 2009 komt de volgende overweging voor:
“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 september 2006 in zaak nr. 200510212/1, BR 2006, p. 1027), hoeft tijdelijke waardevermindering van een woning in beginsel niet te worden vergoed.”
Uit de jurisprudentie volgt derhalve dat een tijdelijke waardevermindering in beginsel niet wordt vergoed. Mogelijk blijft de jurisprudentie van kracht dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn om tijdelijk verlies van woongenot niet ten laste van een benadeelde te laten.
Uit onder andere AbRS 6 juni 2007, nr. 200608038/1 volgt, dat bij schade tengevolge van een krachtens artikel 17 van de WRO verleende tijdelijke vrijstelling er onder omstandigheden aanleiding kan zijn schade bestaande uit een tijdelijk verlies van woongenot niet ten laste van de benadeelde te laten, indien de aard, de geringe ernst en de beperkte duur van dat verlies daartoe aanleiding geven.
In casu kan de tijdelijkheid een termijn 10 jaar betreffen. In beginsel betreft het dus tijdelijke schade. Dat een bestemmingsplan een in beginsel een planperiode van 10 jaar kent doet daar niet aan af. Ik wijs er nog op dat indien een benadeelde tijdens de periode van 10 jaar tot verkoop overgaat (of moet gaan) de schade niet een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de planologische maatregel. Zie AbRS 20 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY8507.
Resumé: De wijziging is wel een titel voor schade. Een tijdelijke waardevermindering van een onroerende zaak zal in beginsel voor eigen rekening blijven. In bijzondere omstandigheden kan daar mogelijk vanaf geweken worden. Daarvan zal niet snel sprake zijn. Rest de vraag wat waar de grens tussen tijdelijke en een duurzame waardevermindering ligt.
Wellicht toch eens aan de rechter voorleggen.