Planschade en Omgevingswet.

De aanleiding voor de invoering van de Omgevingswet is onder andere dat het huidige omgevingsrecht is geregeld in veel wetten en besluiten. Van de nodige samenhang en flexibiliteit is veelal geen sprake. In een omgevingsplan worden nagenoeg alle aspecten die zich afspelen in de fysieke leefomgeving geregeld, zoals natuur, bouwen, grondeigendom, water, geluid, geur, veiligheid, kappen van bomen, in- en uitritten en welstand. Hierdoor worden alle relevante belangen afgewogen en niet meer ad hoc beoordeeld. Dit valt toe te juichen.

De Omgevingswet heeft ook de nodige consequenties voor planschade. Het huidige planschaderecht wordt als een belemmering voor de flexibiliteit van een plan ervaren, omdat bij de planbeoordeling uit moet worden gegaan van de maximale invulling van een bestemmingsplan ongeacht of de bestemming niet of slechts gedeeltelijk wordt gerealiseerd. Het begrip planschade zal verdwijnen en het gaat verder onder de vlag van nadeelcompensatie.

Hieronder kunt u doorlinken naar de wettekst, waarna ik belangrijke aspecten er uit licht en in ga op de verschillen ten aanzien van de huidige planschadepraktijk.

Wettekst.

Verhouding Awb en Omgevingswet.

In titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de algemene regeling met betrekking tot nadeelcompensatie geregeld. Deze titel is nog niet in werking is getreden, maar zal gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treden.

In hoofdstuk 15 van de Omgevingswet is de schade geregeld. In afdeling 15.1 is de nadeelcompensatie geregeld, terwijl in afdeling 15.2 de schade als gevolg van een gedoogplicht is geregeld. Ook zullen er in hoofdstuk nog andere bepalingen over schade worden opgenomen, zoals ten aanzien van natuur en grondeigendom (onteigening).

Bij nadeelcompensatie gaat het om vergoeding van de schade die een bestuursorgaan veroorzaakt in het kader van de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Deze grondslag is echter te ruim voor het omgevingsrecht. Daarom zijn in afdeling 15.1 de grondslagen beperkt tot de in artikel 15.1 genoemde oorzaken. In feite is afdeling 15.1 een nadere uitwerking van titel 4.5 Awb, die de basis vormt. Dit blijkt ook uit de wettekst, die vaak verwijst naar de Awb. Bij nadeelcompensatie gaat het om vergoeding van schade, die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico.

Nadeelcompensatie Omgevingswet.

De Omgevingswet heeft de nodige gevolgen voor de beoordeling om aanvragen bij indirecte schade en directe planschade.

Omgevingsplan of vergunde situatie.

De huidige planschadewetgeving gaat uit van de planmaximalisatie ongeacht of deze mogelijkheden al of niet worden benut. Dit betekent in de praktijk, dat er geen globale of flexibele maar gedetailleerde omgevingsplannen worden vastgesteld.

Artikel 15.1 gaat ervan uit dat de regels in een omgevingsplan een schadeoorzaak vormen. Dit is thans ook het geval. Echter in tweede lid wordt gelijk een uitzondering op deze regel gemaakt door te bepalen, dat indien er een omgevingsvergunning is vereist deze vergunning als schadeveroorzakend besluit moet worden beschouwd. Vermeldenswaard is dat in de Omgevingswet geen verplichting, zoals die in de Wabo is opgenomen, dat het verboden is zonder vergunning bepaalde activiteiten te verrichten, zoals het bouwen. Ik verwijs hierbij naar het bepaalde in artikel 4.4, tweede lid, waarin is bepaald dat onder andere in een omgevingsplan regels kunnen worden opgenomen, die inhouden dat het zonder omgevingsvergunning verboden is bepaalde activiteiten te verrichten. Dit moet de planwetgever zelf in het omgevingsplan aangegeven. Indien dit niet gebeurt dan zijn uiteraard de regels van het omgevingsplan het schadeveroor-zakende besluit. Ik ga ervan uit, dat het regel wordt dat in het omgevingsplan regels ter zake worden opgenomen.

Uitgaande van de vergunningsplicht, wordt het schademoment de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Dit betekent dat op basis van de vergunning de schade wordt vastgesteld. Indien bijvoorbeeld op grond van een omgevingsplan in vier bouwlagen mag worden gebouwd tot een hoogte van 14 meter en er worden maar twee vergund met een hoogte van 7 meter dan moet van de vergunning dus de bouwhoogte van 7 meter worden uitgegaan. Dit is een voordeel voor de bouwer. Indien nadien het gebouw wordt verhoogd tot 14 meter dan zal opnieuw een aanvraag moeten worden ingediend. Een ander nadeel voor de aanvrager is, dat hij voor elke verleende en onherroepelijk geworden vergunning een aanvraag moet indienen. Dit betekent dat steeds weer een drempelbedrag in rekening wordt gebracht en ook per aanvraag een korting wegens het normale maatschappelijke risico van 5% in rekening wordt gebracht. Naar mijn mening zal dit leiden tot verminderde aanvragen en geringere toekenning van schadevergoedingen, mede gelet op het hoge forfait van 5%. Dit is een voordeel. Nadeel kan zijn dat de bestuurslasten stijgen, omdat meer aanvragen kunnen worden ingediend. Voor de projectontwikkelaar heeft dit tot nadelig gevolg dat hij te allen tijde rekening moet houden met verhaal van schade.

Indien geen regels worden opgenomen in een omgevingsplan of voor bepaalde activiteiten geen vergunning nodig is dan is artikel 15.2 van toepassing is. Indien bepaalde activiteiten zijn gemeld bij het bevoegd gezag of indien met de activiteiten is begonnen, kan een aanvraag worden ingediend. Ik geef het volgende voorbeeld. Een omgevingsplan is vastgesteld voor de aanleg van een woonwijk of bedrijventerrein. Vaak is de aanleg van de infrastructuur niet vergunningplichtig.

Een en ander houdt wel in, dat de peildatum voor het bepalen van de schade niet meer de inwerkingtreding van het omgevingsplan is, maar de datum waarop de vergunning in werking is getreden of de datum waarop met de activiteit is begonnen of waarop de melding is gedaan bij het bevoegde gezag. Dit heeft ook gevolgen voor de vraag wanneer een vordering is verjaard.

Risicoaanvaarding.

Actieve risico aanvaarding.

Thans geldt als toetsingscriterium de datum van aankoop van de onroerende zaak.

Er is geen sprake meer van actieve risico-aanvaarding, indien de koper de onroerende zaak heeft gekocht na de vaststelling van het omgevingsplan. Er moet dan wel worden voldaan aan de voorwaarde dat er een omgevingsvergunning is vereist voor bepaalde activiteiten of zodra met de activiteiten wordt begonnen of indien zij zijn gemeld bij het bevoegd gezag.

Passieve risico aanvaarding.

Passieve risico-aanvaarding kan de aanvrager worden tegengeworpen, indien hij van een toegekende functie gedurende een periode van drie jaar geen gebruik heeft gemaakt op grond van een oud plan of verordening. Daarbij geldt tevens als eis dat van het voornemen tot wijziging van die functie tenminste 1 jaar voor de bekendmaking van het besluit tot wijziging van het plan of de verordening gegevens moeten beschikbaar moeten zijn gesteld in de landelijke voorziening (digitale landelijke informatie-voorziening).

Normaal maatschappelijk risico.

Het normaal maatschappelijk risico is voor wat betreft de schade wegens waardevermindering van de onroerende zaak gesteld op 5% van de waarde van die onroerende zaak. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen directe of indirecte schade. In ieder geval is het verhogen van het percentage van 2 naar 5 vrij fors, waardoor het aantal aanvragen om schadevergoeding naar verwachting zal afnemen.

Schaduwschade.

De regeling heeft tot gevolg dat er sprake is van meer schaduwschade, omdat de oorzaak van de schade ook wordt opgeschoven. Deze vorm van schade komt niet voorvergoeding in aanmerking. Immers de schadeoorzaken zijn limitatief in artikel 15.1 opgesomd.

Scroll naar boven