In deze uitspraak gaat het wederom over de hoogte van de toegepaste drempel in het kader van het normale maatschappelijke risico en de invloed van de omvang van de schade op deze drempel. In de uitspraken van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2018:530 en 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2620 heeft de Afdeling zich al over deze materie uitgelaten. Aan het afstandscriterium komt op de door de SAOZ gebezigde wijze geen matigende werking toe in relatie tot de hoogte van de drempel. Ook de omvang van de schade staat niet in de weg aan het toepassen van de in beginsel maximale drempel van 5 %.
De Afdeling overweegt:
14.5. De SAOZ heeft in het advies van 9 juni 2015 uiteengezet dat de aard van de ontwikkeling, te weten inbreiding van gestapelde woningen in de bebouwde kom, in zijn algemeenheid is aan te merken als een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee [eigenaar woning] in abstracto rekening had kunnen houden. Gelet op de structuur van de omgeving (een stedelijk woongebied met een relatief hoge bebouwingsdichtheid en ook meerdere hoge gebouwen) kan de nieuwe ontwikkeling gezien de aard en omvang daarvan ter plaatse volgens de SAOZ in redelijkheid als passend worden aangemerkt. Verder moet, nu de planologische ontwikkeling mogelijk is gemaakt, de ontwikkeling in zoverre als passend in het gevoerde ruimtelijk beleid worden beschouwd. Ook past de ontwikkeling volgens de SAOZ binnen het langjarig door de gemeente vastgestelde beleid, waaronder de gemeentelijke Hoogbouwvisie. De SAOZ heeft verder uiteengezet dat de afstand van de woning tot de nieuwe ontwikkeling zodanig klein is dat de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat in zeer grote mate merkbaar zullen zijn en dat de door de ontwikkeling ontstane schade voor [eigenaar woning] per saldo als groot moet worden aangemerkt. Daarbij heeft de SAOZ, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1895), betrokken dat bij een waardedaling van 5% of meer minder snel aanleiding is om een verhoogd normaal maatschappelijk risico aan te nemen. Gelet op het voorgaande is er volgens de SAOZ geen aanleiding om van het in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro neergelegde minimumforfait van 2% af te wijken.
14.6. Gelet op deze uiteenzetting heeft de SAOZ bij de vaststelling van het normaal maatschappelijk risico doorslaggevende betekenis gehecht aan de geringe afstand van de woning tot de nieuwe ontwikkeling en de omvang van de schade. Aan een korte afstand komt evenwel, daargelaten dat deze bij een inbreidingslocatie als het plangebied niet ongebruikelijk is, geen zelfstandige betekenis toe, omdat de omvang van de waardevermindering van de woning mede wordt bepaald door de afstand van de woning tot de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Het dient er, gelet hierop, voor te worden gehouden dat de korte afstand reeds in de waardevermindering van de woning is verdisconteerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:530). Dat volgens de SAOZ sprake is van bovenmatige planschade (10,7%) en de schade dus relatief hoog is, is evenmin een reden om geen verhoogd normaal maatschappelijk risico aan te nemen. Ook hier geldt immers dat de omvang van het planologische nadeel zich uit in de hoogte van het schadebedrag, zodat voor een extra correctie in de vorm van het achterwege laten van een verhoging van het normaal maatschappelijk risico bij een hoog schadebedrag geen aanleiding is.
Zie AbRS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3272.
Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder het trefwoord: normaal maatschappelijk risico.
Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.