AbRS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3133, Huurovereenkomst en passieve risico-aanvaarding Amsterdam.

In deze uitspraak was de vraag aan de orde of aanvrager om tegemoetkoming in (directe) planschade kon worden verweten dat hij geen concrete pogingen in het werk had gesteld om de bestaande gebruiksmogelijkheden alsnog te benutten. Aanvrager betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat zij het risico dat de horecafunctie zou komen te vervallen passief heeft aanvaard. Volgens aanvrager (appellante) was op het moment dat zij de huurovereenkomst sloot niet te voorzien dat het planologische regime op een voor haar nadelige manier zou worden gewijzigd en nadat de overeenkomst was gesloten kon zij niet meer vrijelijk over de bedrijfsruimte beschikken. Het college en de rechtbank deelden deze opvatting niet. Aanvrager komt tegen dit oordeel in hoger beroep.

De Afdeling overweegt:

4.1.    De rechtbank heeft [appellante] ten onrechte tegengeworpen dat zij tijdens de zogenoemde benuttingsperiode geen concrete pogingen heeft ondernomen om de voorheen onder het bestemmingsplan “Silodam” bestaande horecafunctie te benutten. In dat verband neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante] de bedrijfsruimte op de tweede etage van het pand aan [locatie] te Amsterdam van 1 april 2005 tot 31 maart 2015 heeft verhuurd aan Appoint. Op het moment dat [appellante] met Appoint de huurovereenkomst sloot, was niet te voorzien dat de bedrijfsruimte in de toekomst niet meer voor horecafuncties gebruikt zou kunnen worden. Omdat de huurovereenkomst tot 31 maart 2015 duurde, kon [appellante] gedurende de benuttingsperiode niet vrijelijk over deze bedrijfsruimte beschikken. Daargelaten of met de realisatie van de horecafunctie planschade was voorkomen, was [appellante] ook feitelijk niet in staat de huurder te verplichten om de onder het bestemmingsplan “Silodam” bestaande horecafunctie te realiseren. Gelet op het voorgaande en artikel 6.3, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, heeft het college aan zijn besluitvorming ten onrechte het standpunt ten grondslag gelegd dat [appellante] het risico dat de horecafunctie onder het bestemmingsplan “Silodam” zou komen te vervallen, passief heeft aanvaard. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3005.)

Het betoog slaagt.

Een belangrijke uitspraak van de Afdeling met betrekking tot de vraag of al dan niet sprake is van concrete pogingen om een bepaald gebruik te benutten. Zie voor een ander oordeel in een overigens niet vergelijkbare situatie waarbij omstandigheden aan de zijde van de gelaedeerde tot een ander oordeel luidden AbRS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4948

Zie AbRS 29-09-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3133

Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder het trefwoord: vervallen bouw-gebruiksmogelijkheid.

Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.

Scroll naar boven