In de al eerder in de nieuwsbrieven behandelde uitspraak van 11 januari 2016 wordt door appellanten ook opgeworpen dat onzorgvuldig is gehandeld door het college omdat appellanten niet in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op nadere adviezen die zijn uitgebracht door de SAOZ en Noordam naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling, waarbij aan het college werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe voeren zij het volgende aan.
Volgens appellant c.s. heeft het college ten onrechte gesteld dat het nader advies van de SAOZ van december 2014 slechts een aanvulling is op het eerdere advies van juli 2011. De SAOZ heeft in het nader advies voor het eerst haar visie gegeven over de toe te passen drempel in verband met het normale maatschappelijke risico. Voorts is het college afgeweken van het nader advies en heeft het de notitie van Noordam over de vaststelling van de waarde van de bloot eigendom en zijn eigen standpunt over het normale maatschappelijke risico daarvoor in de plaats gesteld. Noordam heeft de waarde van de bloot eigendom echter op een andere manier berekend dan de SAOZ. In de bezwaarprocedure zijn zij niet de gelegenheid gesteld om hun visie op de berekening van Noordam te kunnen geven.
Volgens appellant c.s. zou het de zorgvuldigheid van het besluit op bezwaar van 18 juni 2015 ten goede zijn gekomen als het college hun de gelegenheid had gegeven om zich over het nader advies van de SAOZ en de notitie van Noordam uit te laten. In dat geval was er ook een andere uitkomst van de besluitvorming mogelijk geweest. Deze zorgvuldigheidsgebreken kunnen dan ook niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Ten slotte heeft het college in het besluit op bezwaar van 18 juni 2015 zelf te kennen gegeven dat hun geval bijzonder is, omdat het heeft gesteld dat er geen precedenten in de jurisprudentie over planschade en nadeelcompensatie zijn die rechtstreeks of naar analogie een oplossingsrichting bieden.
De Afdeling overweegt als volgt:
“12. In artikel 7:2 van de Awb is niet voorgeschreven dat een partij opnieuw wordt gehoord op het moment dat, als gevolg van een uitspraak van een bestuursrechter, het bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Om de benodigde kennis over de relevante feiten en de belangen die gewogen moeten worden te vergaren, is het bestuursorgaan in bepaalde situaties op grond van artikel 3:2 van de Awb wel verplicht om dat te doen. Het bestuursorgaan dient dit per geval te beoordelen.
13. Vaststaat dat het college [appellant] c.s. niet de gelegenheid heeft geboden om te reageren op het nader advies van de SAOZ of op de notitie van Noordam. Het college is, zo blijkt uit het besluit op bezwaar van 18 juni 2015, voor de schadeberekening afgeweken van het nader advies van de SAOZ en heeft zich daarbij volledig laten leiden door de notitie van Noordam die uitsluitend de bloot eigendom van [appellant] c.s. heeft gewaardeerd. Het onderdeel van het advies van de SAOZ over de drempel die wordt toegepast, heeft het college evenzeer terzijde gesteld en daarbij zelf een oordeel gegeven over de korting die, in verband met het normale maatschappelijke risico, bij het vaststellen van de tegemoetkoming in planschade op het schadebedrag wordt toegepast.
14. De SAOZ en Noordam hanteren bij de schadeberekening een totaal verschillende aanpak. Dit resulteert in een verschil tussen de begrote waardevermindering van het perceel van [appellant] c.s. van € 114.197,33 (de SAOZ komt uit op € 295.680,00 en Noordam op € 181.482,67). Om voldoende zekerheid te verkrijgen over de vraag welke berekeningswijze bij de vaststelling van de waarde van de bloot eigendom van [appellant] c.s. de juiste is, had het college [appellant] c.s. de gelegenheid moeten bieden zich hierover in een schriftelijke reactie en op een hoorzitting uit te laten. Bij [appellant] c.s. bestond onmiskenbaar deze behoefte, omdat de wijze waarop de schade is berekend uiteindelijk raakt aan de vraag hoe hoog de tegemoetkoming in planschade is. In dit verband weegt mee dat [appellant] c.s. bij het beroepschrift een notitie van Van Heesbeen hebben overgelegd die de berekeningswijze van Noordam in twijfel trekt en de berekeningswijze van de SAOZ geheel onderschrijft. Ook had het college eenzelfde gelegenheid moeten bieden in verband met de vraag welke drempel of korting in dit geval wegens het normale maatschappelijke risico van [appellant] c.s. wordt toegepast. [appellant] c.s. wijzen er terecht op dat dit aspect nog niet eerder onderdeel van het geschil is geweest. Dit samengenomen met het feit dat het college op dit punt afwijkt van het advies van de SAOZ en er, zoals het college ook zelf heeft opgemerkt, binnen de jurisprudentie over een geval als de onderhavige geen precedenten bestaan, had het college uit oogpunt van zorgvuldigheid [appellant] c.s. op zijn minst de gelegenheid moeten geven om schriftelijk dan wel op een hoorzitting een reactie te geven op het standpunt van het college over het normale maatschappelijke risico.
Tussenconclusie over punt I
15. Door het nalaten van het college heeft geen zorgvuldige vaststelling van de feiten en een gedegen belangenafweging kunnen plaatsvinden. Niet aannemelijk is dat [appellant] c.s. hierdoor niet zijn benadeeld. Op voorhand was niet uit te sluiten dat zij een nieuwe visie of gezichtspunten over de feiten of af te wegen belangen hadden kunnen inbrengen die tot een andere besluitvorming had kunnen leiden.
16. Het college heeft de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb bij de totstandkoming van het besluit van 18 juni 2015 niet in acht genomen. Het betoog van [appellant] c.s. slaagt. Hierna zal de Afdeling nagaan welk gevolgen dit heeft.”
De handelwijze van het college leidt ertoe dat deze als niet-zorgvuldig wordt betiteld, maar leidt niet tot een vernietiging van het besluit. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Bij dit soort aspecten wordt veelal overwogen, dat de handelwijze niet zorgvuldig is geweest maar dat degene die zich er op beroept niet in zijn belangen is geschaad, omdat hij nadien anderszins in de gelegenheid is geweest om zijn belangen voldoende naar voren te brengen. Zie bijvoorbeeld AbRS 27-05-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1639.