In deze uitspraak is onder meer de vraag aan de orde in hoeverre de uitgebrachte second opinion wordt beheerst door de planschadeverordening. Aanvrager is de mening toegedaan dat het college in strijd met de planschadeverordening een adviseur heeft aangewezen voor het opstellen van een second-opinion en een nieuw deskundigenadvies zonder haar daarvan vooraf op de hoogte te stellen. Door die handelwijze heeft het college haar de mogelijkheid van wraking onthouden, aldus aanvrager. Zij voert voorts aan dat het college bij het verlenen van de opdracht voor de second-opinion al aan de adviseur heeft meegedeeld dat indien uit de second-opinion zou blijken dat aan het deskundigenadvies van de eerste adviseur een gebrek kleefde, het college de adviseur opdracht zou verstrekken voor een nieuw deskundigenadvies. Volgens aanvrager had de adviseur er daarom economisch belang bij om in de second-opinion tot de conclusie te komen dat aan het deskundigenadvies van het de eerste adviseur een gebrek kleefde.
De Afdeling overweegt met betrekking tot de second opinion:
“3.2. Op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) diende het college zich ervan te vergewissen dat het door Kenniscentrum uitgevoerde onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het college heeft op 9 december 2014 Anteagroup de opdracht verleend voor een second-opinion over de juistheid van het advies van Kenniscentrum, omdat bij het college twijfel bestond of in dat advies bij de planvergelijking van de maximale mogelijkheden van het oude bestemmingsplan is uitgegaan. Volgens de second-opinion van december 2014 heeft Anteagroup in het kader van die opdracht alleen onderzocht of Kenniscentrum bij de planvergelijking van de maximale mogelijkheden van het oude planologische regime is uitgegaan en heeft de adviseur geconcludeerd dat dit niet het geval was. Het college heeft de second-opinion niet ten grondslag gelegd aan het besluit van 23 juni 2015. Het voorgaande betekent dat de opdracht aan Anteagroup voor de second-opinion geen opdracht tot advisering was als bedoeld in artikel 5 van de procedureverordening. Het college hoefde [appellante] daarom niet vooraf van deze opdracht op de hoogte te stellen en zij kon ten aanzien daarvan geen verzoek tot wraking van Anteagroup indienen.”
Met betrekking tot het daarna door de adviseur opgestelde deskundigenadvies, dat aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd, overweegt de Afdeling:
“3.3. Het college heeft Anteagroup bij brief van 26 januari 2015 verzocht om advies over het verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade. Vast staat dat dit verzoek, dat heeft geleid tot het deskundigenadvies van juni 2015, een opdracht tot advisering is als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de procedureverordening. In de nadere stukken die [appellante] in hoger beroep heeft ingediend, is vermeld dat het college haar bij brief van 26 januari 2015 heeft geïnformeerd over deze opdracht aan Anteagroup. Niet is gebleken dat het college [appellante] eerder op de hoogte heeft gesteld van het voornemen Anteagroup deze opdracht te verstrekken. Het voorgaande betekent dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 5 van de procedureverordening.
De Afdeling ziet aanleiding deze schending van de procedureverordening met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren en overweegt daartoe als volgt. [appellante] heeft ter zitting bevestigd dat zij door Anteagroup op 27 maart 2015 is gehoord in het kader van de opstelling van het deskundigenadvies en dat zij op een concept van het deskundigenadvies heeft kunnen reageren, hetgeen zij heeft gedaan. De schending is hierdoor gedeeltelijk gecompenseerd. Zij heeft voorts in bezwaar, beroep en hoger beroep de gestelde partijdigheid van Anteagroup aan de orde kunnen stellen. De Afdeling acht niet aannemelijk dat het college de adviesopdracht aan een andere adviseur zou hebben verstrekt, indien het college [appellante] overeenkomstig artikel 5 van de procedureverordening had geïnformeerd. De Afdeling acht aannemelijk dat [appellante] door de schending van de procedureverordening niet is benadeeld. De Afdeling ziet aanleiding het college wegens deze schending te veroordelen tot vergoeding van bij [appellante] in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten.”
Conclusie:
Indien een second opinion niet ten grondslag wordt gelegd aan de besluitvorming, dan betreft het geen opdracht tot advisering overeenkomstig de (gebruikelijke) planschadeprocedureverordeningen en wordt het advies niet beheerst door die verordeningen. Indien de second opinion wel aan de besluitvorming ten grondslag wordt gelegd, dan valt deze wel onder de werking van de verordening. Echter het niet in acht nemen van de verordening zal veelal worden gedekt vanwege het feit dat aanvrager in bezwaar, beroep en hoger beroep zijn bezwaren tegen deze schending naar voren heeft kunnen brengen.
Wanneer is een second opinion nodig ?
Een planschadeadvies kent in een drietal inhoudelijke hoofdonderdelen. De planvergelijking, de schadebegroting en de vergoedbaarheid van de schade. Een planschadeadvies kent daarbinnen juridische- en waarderingsonderdelen. Of de juiste input aan de planvergelijking ten grondslag is gelegd is een rechtsvraag. Indien het college de mening is toegedaan dat aan de planvergelijking een onjuiste input ten grondslag ligt kan het op dat onderdeel in beginsel afwijken zonder daarvoor een second opinion te vragen. Echter heeft deze onjuiste input gevolgen voor de waardering, – de mate waarin planologisch nadeel en planschade is ontstaan -, dan dient aangaande deze waardering een second opinion te worden gevraagd. In het kader van vergoedbaarheid van de schade zijn de belangrijkste de voorzienbaarheid (actief en passief), het normale maatschappelijke risico en het anderszins verzekerd zijn van de schade. Of de schade ten tijde van de aankoop of de investeringsbeslissing voorzienbaar was, betreft een rechtsvraag, die het college ook zonder second opinion in afwijking van het eerste advies kan afdoen. Of de schade (deels) tot het normale maatschappelijke risico behoort is ook een rechtsvraag en kan in beginsel ook zonder second opinion worden afgedaan, dat geldt ook voor de vraag of de (door de deskundige begrote) schade reeds anderszins is verzekerd. De rol van een second opinion kan zich derhalve in beginsel beperken tot de waarderingsonderdelen van het advies.
Voor meer informatie over het planschaderecht raadpleeg onze kennisbank in casu het trefwoord second opinion.