In deze uitspraak ging het onder meer om de vraag of de tegemoetkoming in natura aan het daarvoor geldende recht voldeed. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 3 juni 2014, voor zover daarin een tegemoetkoming in natura is toegekend, in strijd met de rechtszekerheid is. Volgens het college is door de rechtbank ten onrechte overwogen dat nu het college de compensatie in natura afhankelijk heeft gesteld van onzekere nadere besluitvorming, het besluit in ieder geval een getaxeerd schadebedrag moet bevatten, waar de compensatie in natura zich naar moet richten.
Daartoe stelt het college dat in het besluit van 3 juni 2014 is vermeld dat voor het Bacinolterrein een ontwerpbestemmingsplan wordt opgesteld waarin de bestemming van het terrein wordt gewijzigd in de bestemming Bedrijventerrein. Op het terrein worden bedrijfsactiviteiten uit de milieucategorieën 1 tot en met 3.2 toegestaan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk na afronding van de werkzaamheden ten behoeve van het Spoorzoneproject en oplevering van het terrein door ProRail aan DSM, maar uiterlijk op 31 december 2019, ter inzage gelegd. De gronden die nodig zijn voor het Spoorzoneproject en voor infrastructuur worden niet in het plan opgenomen en worden op de bij het plan behorende kaart aangeduid met ‘aangekocht door ProRail’ en ‘benodigd’. Na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt vastgesteld of een tegemoetkoming in de planschade wordt uitgekeerd. Het eventuele restantbedrag wordt uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente. Indien het plan buiten de macht van DSM dan wel haar rechtsopvolger niet onherroepelijk is geworden, of niet uiterlijk op 31 december 2020 door de raad is vastgesteld, wordt aan DSM een tegemoetkoming in geld uitgekeerd, op basis van het advies van een of meer ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs.
De Afdeling schetst eerst de relevante rechtsregels met betrekking tot de compensatie in natura.
“33. Tegemoetkoming in planschade kan in voorkomende gevallen bestaan uit compensatie in natura, in welk geval schadevergoeding in geld achterwege kan blijven, omdat tegemoetkoming in de schade anderszins is verzekerd. De voorkeur van degene die schade lijdt voor een bepaalde wijze van compenseren is daarbij niet doorslaggevend. Het bestuursorgaan mag bij het tegemoetkomen in de schade uitgaan van de wijze van compenseren die de laagste kosten met zich brengt.
Het is niet noodzakelijk dat de schade reeds ten tijde van het ontstaan daarvan in natura is gecompenseerd. Het gaat er om of ten tijde van de beslissing op het verzoek om tegemoetkoming in planschade die tegemoetkoming voldoende anderszins is verzekerd.
Bij compensatie in natura is voorafgaande vaststelling van de schade in geld niet noodzakelijk.
Wanneer het, gelet op de planologische procedures die moeten worden gevoerd ten behoeve van het planologische regime dat voorziet in compensatie in natura, niet geheel zeker is of dit planologische regime in werking zal treden, betekent dit niet zonder meer dat compensatie in natura zinledig is, indien het bestuursorgaan zodanige toezeggingen heeft gedaan dat de onzekerheid over de planologische procedures voldoende is ondervangen.
Daarbij komt in voorkomende gevallen betekenis toe aan de omstandigheid of met deze toezeggingen met voldoende zekerheid vaststaat dat, mocht blijken dat compensatie in natura niet tot stand kan worden gebracht, de hoogte van het alsnog uit te betalen bedrag na inwinning van advies bij ter zake kundige, onafhankelijke planschadeadviseurs zal worden vastgesteld en dat dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de ontvangst van de aanvraag.
Compensatie in natura kan bij planschade in de vorm van waardevermindering ten gevolge van een wijziging van het planologische regime van de onroerende zaak van de aanvrager (de zogenoemde directe planschade) onder meer bestaan uit een herstel van de door een wijziging van het planologische regime weggevallen bouwmogelijkheid. In dat geval kan tegemoetkoming in geld achterwege blijven omdat de (tegemoetkoming in) schade anderszins is verzekerd. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 5.40 en verder.”
De jurisprudentie toepassend op de onderhavige casus komt de Afdeling tot de volgende beoordeling”
“34. Het college betoogt terecht dat uit de jurisprudentie volgt dat de onzekerheid over de uitkomst van een planologische procedure in beginsel kan worden ondervangen door in een besluit op te nemen dat financiële compensatie op een vastgestelde datum zal worden betaald, mocht het regime, waarbij compensatie wordt geboden, niet worden doorgevoerd. Dit bedrag kan dan vastgesteld worden na inwinning van advies van deskundige, onafhankelijke planschadeadviseurs. De Afdeling is echter met de rechtbank van oordeel dat in dit geval het college de vaststelling van de tegemoetkoming in planschade in de vorm van compensatie in natura in het besluit van 3 juni 2014 ten onrechte afhankelijk heeft gesteld van onzekere nadere besluitvorming over de omvang van het door DSM geleden nadeel en de vergoedbaarheid ervan. Niet acceptabel is dat wellicht tot na 31 december 2020 onzekerheid bestaat in welke mate de schade als gevolg van de vervallen bedrijfsmogelijkheden zal worden gecompenseerd. Hierbij is het volgende van belang.
35. De SAOZ is een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en nadeelcompensatie. Een bestuursorgaan kan een deskundige inschakelen om zich te laten adviseren over de omvang van de schade, het causaal verband, of over de vraag of de schade geheel of gedeeltelijk ten laste moet blijven van de verzoeker en over de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming (artikel 6.3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening). Uit artikel 3:49 van de Awb volgt dat het bestuursorgaan bij de motivering van een besluit tot toekenning of afwijzing van een tegemoetkoming in planschade kan volstaan met een verwijzing naar het advies van een deskundige, als daarin de motivering is vervat en van dat advies kennis is of zal worden gegeven. Voor een bestuursorgaan kunnen er gegronde redenen zijn om af te wijken van een advies van een deskundige. Deze redenen dient het bestuursorgaan in beginsel afzonderlijk in het besluit te vermelden (artikel 3:50 van de Awb).
36. DSM taxeert haar schade op € 1.760.000,00 en heeft dit onderbouwd met een rapport van De Lorijn. De door het college ingeschakelde deskundige, de SAOZ, taxeert de schade op € 115.000,00. De StAB taxeert de schade vervolgens op € 1.370,000,00, welk bedrag de rechtbank heeft overgenomen.
Het college heeft in het besluit van 3 juni 2014 uiteengezet waarom de taxatie van de SAOZ niet kan worden gevolgd, maar heeft de schade niet opnieuw laten taxeren. Wel heeft het college vraagtekens geplaatst bij de omvang van het planologisch nadeel en de daaruit voortvloeiende schade. Het college heeft in het besluit van 3 juni 2014 voorts uiteengezet dat de schade, wat er ook van de omvang zij, niet geheel voor vergoeding in aanmerking komt, door te wijzen op risicoaanvaarding en het anderszins verzekerd zijn van de schade. Daarmee is het voor DSM onduidelijk in hoeverre de door haar gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij komt dat eveneens onduidelijk is in hoeverre de vervallen bedrijfsmogelijkheden volledig zullen worden gecompenseerd met de toekenning van de bestemming Bedrijventerrein met de mogelijkheid van het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten uit de milieucategorieën 1 tot en met 3.2, en welke mogelijkheden zullen vervallen. Ook het moment van inwerkingtreding van deze planologische wijziging is onzeker. Dat heeft tot gevolg dat de situatie kan ontstaan dat het DSM op 31 december 2020 niet duidelijk is in hoeverre de door haar geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt. Onder deze omstandigheden had, zoals de rechtbank derhalve terecht heeft geoordeeld, het besluit van 3 juni 2014 een getaxeerd schadebedrag moeten bevatten. Het college had in het besluit van 3 juni 2014 moeten motiveren waarom de schadeberekening van de SAOZ onjuist is en hoe de schade wel op juiste manier moet worden berekend. De Afdeling neemt daarbij ook in aanmerking de schadeberekening van De Lorijn en de grote verschillen tussen beide schadeberekeningen.”
Conclusie:
De vaststelling van de tegemoetkoming in planschade in de vorm van compensatie in natura is ten onrechte afhankelijk heeft gesteld van onzekere nadere besluitvorming over de omvang van het door DSM geleden nadeel en de vergoedbaarheid ervan. Niet acceptabel is dat (voor een lange periode) onzekerheid bestaat in welke mate de schade zal worden gecompenseerd.
Zie voor meer jurisprudentie de kennisbank planschade onder het trefwoord compensatie in natura.
Ontvangt u onze gratis digitale nieuwsbrieven planschade nog niet ? U kunt zich hier aanmelden.