In de voorliggende uitspraak gaat het geschil over de omvang van het normale maatschappelijke risico. De adviseur van burgemeester en wethouders adviseerde om enkel de forfaitaire drempel toe te passen. De derde-belanghebbende met wie de gemeente een verhaalsovereenkomst had gesloten was de mening toegedaan dat een hogere drempel diende te worden toegepast. Nu is het zo dat de vaststelling van de hoogte van de drempel in de eerste plaats aan het bestuursorgaan is, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Echter het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven (dus alleen ambtshalve toetsing), toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.
In casu ging het om een uitbreiding van een kleine kern. Door de derde-belanghebbende (appellante) werd betoogd dat dat uitbreiding van Schoonrewoerd in het plangebied een normale maatschappelijke ontwikkeling is en dat die ontwikkeling voorts in het ruimtelijke beleid en de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving paste.
De Afdeling overweegt:
“Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668), is de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.
8.2. In het nader advies van 18 april 2014 heeft de SAOZ, ter motivering van de conclusie dat de omvang van de binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade in de gevallen van [belanghebbende A] en anderen niet groter is dan twee procent van de waarde van de woningen, als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, in de eerste plaats gesteld dat het realiseren van een woongebied op voormalige agrarische gronden, grenzend aan een bestaand woongebied, als een normale maatschappelijke ontwikkeling is aan te merken en dat die ontwikkeling past in de bestaande ruimtelijke structuur. Daar staat tegenover dat het plangebied in het oude bestemmingsplan een agrarische bestemming had behouden en dat deze bestemming ruimschoots binnen de gebruikelijke periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van dat bestemmingsplan op 23 juni 2005, is gewijzigd. Het gemeentelijke beleidsvoornemen om het plangebied tot woongebied te ontwikkelen is voorts relatief recent, zodat de planologische verandering voor [belanghebbende A] en anderen niet in de lijn der verwachtingen lag. Hoewel de ontwikkeling niet rechtstreeks aan de percelen van [belanghebbende A] en anderen grenst, is die wel in de directe invloedssfeer ervan gelegen. De geleden schade is duidelijk aanwijsbaar, gelet op de percentuele waardevermindering van de woningen van [belanghebbende A] en anderen op de peildatum, aldus de SAOZ.
8.3. Uit dit advies, dat mede aan het besluit van 9 september 2014 ten grondslag is gelegd, blijkt dat de onder 8.1 bedoelde omstandigheden zijn betrokken bij het antwoord op de vraag of de omvang van de binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade groter is dan het wettelijk forfait. Dit laat onverlet dat, gelet op het volgende, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de vaststelling van het normale maatschappelijke risico onder verwijzing naar dat advies naar behoren heeft gemotiveerd.
8.4. Hoewel uitbreiding van een dorpskern, zoals in het plangebied heeft plaatsgevonden, in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is, betekent dat op zichzelf nog niet dat die planologische ontwikkeling ook in de lijn der verwachtingen lag.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de planologische verandering gedurende een periode van vele jaren niet paste in het ruimtelijke beleid. Het door [appellante] aangevoerde argument dat in paragraaf 6.3 van de toelichting bij het oude bestemmingplan is vermeld dat de ontwikkeling voor de locatie Overheicop door middel van een vrijstelling in een later stadium alsnog kan plaatsvinden, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die toelichting valt immers niet af te leiden of de genoemde ontwikkeling op het plangebied betrekking heeft en, zo ja, wat die ontwikkeling inhoudt.
Daar staat tegenover dat [appellante] onweersproken heeft gesteld dat het plangebied na de tracéwijziging van de provinciale weg in het jaar 1996 van het aan de andere zijde van die weg gelegen agrarische gebied was afgesneden, dat het plangebied in het jaar 2000 aan een projectontwikkelaar is verkocht, dat de voormalige agrarische bedrijfswoning is getransformeerd in een burgerwoning en dat het plangebied tot de dorpskern werd gerekend. Gelet op dit laatste is de Afdeling van oordeel dat gedurende een periode van vele jaren was te verwachten dat het plangebied, vroeg of laat, een andere bestemming zou krijgen, bijvoorbeeld voor woondoeleinden.
Daarbij komt dat de rechtbank heeft overwogen dat de planologische verandering in de ruimtelijke structuur van de omgeving paste. Partijen hebben dit niet weersproken.
8.5. Uit het vorenstaande volgt dat de planologische ontwikkeling in zoverre in de lijn der verwachtingen lag, dat ontwikkeling van het plangebied te verwachten viel. De schade is in verhouding tot de waarde van de woningen van [belanghebbende A] en anderen aanzienlijk en wel zodanig dat deze uitstijgt boven de financiële nadelen die behoren tot het normale maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen. Het voorgaande, in samenhang bezien, rechtvaardigt de conclusie dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat met aftrek van het wettelijk forfait kon worden volstaan.”
……..
“10. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door in dit geval zelf de omvang van het normale maatschappelijke risico vast te stellen en te bepalen welke aftrek redelijk is.
In dit verband is van belang dat de planologische ontwikkeling een normale maatschappelijke ontwikkeling is die in zoverre in de lijn der verwachtingen lag dat ontwikkeling van het plangebied te verwachten viel, maar dat het realiseren van 55 woningen en een maatschappelijke voorziening met bijbehorende infrastructuur en parkeerruimte, gezien de aard en omvang van de bestaande bebouwing van Schoonrewoerd, een ingrijpende ontwikkeling is, die op deze schaal niet was te verwachten. De ontwikkelingen die in Schoonrewoerd hebben plaatsgevonden, betroffen telkens de in- of aanbreiding van enkele woningen. De Afdeling ziet daarin aanleiding voor het hanteren van een aftrek van drie procent van de waarde van de woningen van [belanghebbende A] en anderen onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. De Afdeling zal de aan [belanghebbende A] en anderen toegekende tegemoetkomingen dienovereenkomstig verlagen en de besluiten van 27 januari 2014 in zoverre herroepen.
In de door [appellante] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:530) is geen grond te vinden voor het oordeel dat een hogere aftrek gerechtvaardigd is. Deze uitspraak, die betrekking heeft op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van een planologisch besluit ten behoeve van het realiseren van drie vrijstaande woningen op een inbreidingslocatie in een woonkern, ziet niet op een vergelijkbaar geval. Aan deze uitspraak kan niet de betekenis worden gehecht die [appellante] daaraan wenst toe te kennen.”
Voor meer informatie: zie het trefwoord “normale maatschappelijke risico” in de “kennisbank” planschade.