AbRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2543 Hoogte drempel nmr Aa en Hunze.

In deze uitspraak is de hoogte van de drempel van de door burgemeester en wethouders ingeschakelde adviseur onderwerp van beroep en hoger beroep. De derde-belanghebbende op wie de gemeente de planschadevergoeding kan verhalen voert aan dat ten onrechte niet een drempel van 5 % is gehanteerd. Het college voert aan dat het vaststellen van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan is en dat het college daarbij beoordelingsruimte toekomt en dat in de plaats daarvan een kortingspercentage mag worden gehanteerd.

Met betrekking tot het vaststellen van de omvang drempel volgt inderdaad uit de jurisprudentie van de Afdeling dat dit in de eerste plaats aan het bestuursorgaan is en dat het college daarbij beoordelingsruimte toekomt. Echter uit de jurisprudentie volgt ook dat, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven,  de rechter de motivering daarvan toetst en hij kan, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normaal maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is. In deze casus doet de Afdeling dat ook. De motivering van de SAOZ en in navolging het college kan de toets der kritiek niet doorstaan. Aan de hand van de bekende relevante omstandigheden, overweegt de Afdeling dat inbreiding  van woningen in een bestaande woonkern in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is, zij naar haar aard en omvang past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en in het bestaande gemeentelijke beleid. Voorts wordt de omvang van de schade getoetst.

Met betrekking tot de omvang van de schade overweegt de Afdeling als volgt:

“6.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:530) is bij waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling, zoals woningbouw op een inbreidingslocatie in een dorpskern, waarbij die woningbouw in de lijn van de verwachtingen lag, een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, substantieel, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten. Dit betekent dat een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak in deze categorie gevallen in beginsel tot het normaal maatschappelijk risico van de aanvrager behoort. [belanghebbende] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat in zijn geval een uitzondering op dit uitgangspunt wordt gemaakt.”

Resteert toetsing aan het afstandscriterium dat een van de relevant omstandigheden van geval is bij de beoordeling van de vraag of de schade tot het normale maatschappelijke risico kan worden gerekend. In de uitspraak 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:530) oordeelt de Afdeling:

“Dat, naar niet in geschil is, de planologische ontwikkeling op relatief korte afstand van de woningen heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Aan de korte afstand, daargelaten dat deze bij een inbreidingslocatie als het plangebied niet ongebruikelijk is, komt hier geen zelfstandige betekenis toe, omdat de omvang van de waardevermindering van de woningen wordt bepaald door de afstand van de woningen tot locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat de korte afstand reeds in de waardevermindering van de woningen is verdisconteerd.”

Aan het afstandscriterium komt blijkens deze uitspraak geen zelfstandige betekenis toe. In latere uitspraken toetst de Afdeling wel weer aan het afstandscriterium op een wijze die mij doet voorkomen dat aan dit criterium wel zelfstandige betekenis toekomt. Zo ook in de deze uitspraak, maar oordeelt dat de afstand zodanig ruim is dan deze niet in de weg staat om de schade geheel tot het normale maatschappelijke risico te rekenen.

De Afdeling overweegt:

“De nieuwe woning mag volgens het SAOZ-advies op een afstand van twintig meter van het perceel en vijfenveertig meter van de woning van [belanghebbende] worden gebouwd. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit, anders dan het college in navolging van de SAOZ betoogt, niet dat de nieuwe woning op een kleine afstand van het perceel en de woning van [belanghebbende] kan worden gerealiseerd. Voorts is de schade die [belanghebbende] van het nieuwe bestemmingsplan ondervindt beperkt. Nu die schade niet uitstijgt boven vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, bestaat geen grond voor het oordeel dat de door [belanghebbende] geleden planschade niet volledig voor zijn rekening kan worden gelaten.”

Een belangrijke uitspraak. Mijns inziens is bij planschade, indien  uiteraard aan de overige omstandigheden van het geval voldaan is, een drempel van 5 % in beginsel de norm. Ik heb daar in eerdere nieuwsbrieven ook al op gewezen. Naar mijn mening ook in andere situaties dan bij inbreiding. Ik verwijs in dat kader naar de jurisprudentie onder het subtrefwoord “Hoogte drempel” onder het trefwoord “Normale maatschappelijke risico” in onze “kennisbank” planschade. Het is aan aanvrager om tegemoetkoming in schade om te wijzen op bijzondere omstandigheden die met zich meebrengen dat de drempel in zijn of haar situatie tot een abnormale last leidt of heeft geleid. Leidt deze benadering van de Afdeling ertoe, – de hoogte van de drempel is 5 % -,  dat de rechter op de stoel van de wetgever gaat zitten, die naar aanleiding van amendementen de drempel als uitgangspunt (als norm) op 2 % heeft bepaald, met de bevoegdheid om daar in bijzondere situaties van af te wijken, te weten toepassing van artikel 6.2, eerste lid Wro ? Daar staat evenwel tegenover dat in de omgevingswet c.a. een drempel van 5 % lijkt te worden opgenomen.

Scroll naar boven