AbRS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3095 Per abuis toegekend digitaal bouwvlak Buren

In casu was op de digitale plankaart in afwijking van het raadsbesluit bij de (tweede) herziening van het bestemmingsplan voor het perceel van aanvrager een bouwvlak opgenomen. Het college stelt dat het gaat om een kennelijke verschrijving. De rechtbank kent hieraan ook geen doorslaggevende betekenis toe, omdat er geen twijfel over mogelijk kan zijn, dat het perceel, ondanks andersluidendende digitale plankaart, ook onder het planologische regime van de tweede herziening geen bouwvlak had.

Aanvrager betoogt dat het college niet heeft bestreden dat het perceel onder het planologische regime van de tweede herziening een bouwvlak had en de inwerkingtreding van de derde herziening derhalve tot een planologische verslechtering heeft geleid.

Voorts betoogt hij dat, bij onduidelijkheid door discrepantie tussen het digitale raadsbesluit en de digitale plankaart, uit oogpunt van rechtszekerheid meer gewicht dient te worden toegekend aan de via www.ruimelijkeplannen.nl direct raadpleegbare plankaart in combinatie met de planregels, omdat een redelijk denkend en handelend koper zich daarop zal richten bij een onderzoek naar de planologische mogelijkheden ter plaatse.

De Afdeling overweegt als volgt:

“7. De rechter geeft zelf uitleg aan voorschriften van een bestemmingsplan en is daarbij niet gebonden aan een door partijen gegeven uitleg van die voorschriften. Dat tussen [appellante] en het college, in bezwaar en beroep, niet in geschil was dat het perceel onder het planologische regime van de tweede herziening een bouwvlak had, laat derhalve onverlet dat de rechter tot een andersluidend oordeel kan en mag komen.

[appellante] heeft beroep ingesteld tegen zowel het besluit van 27 maart 2012, waarbij de tweede herziening is vastgesteld, als tegen het besluit van 2 april 2013, waarbij de derde herziening is vastgesteld. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen bouwvlak aan het perceel is toegekend. Bij uitspraken van 2 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0685) en 30 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1530) heeft de Afdeling die beroepen ongegrond verklaard. Uit de overwegingen van die uitspraken valt niet af te leiden dat, naar het oordeel van de Afdeling, het perceel bij de tweede herziening een bouwvlak heeft gekregen en dat aan de kennelijk onjuiste aanduiding op de plankaart de betekenis toekomt, die [appellante] daaraan gehecht wil zien. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Dat brengt met zich dat, in het kader van de vergelijking tussen het planologische regime van de tweede herziening met dat van de derde herziening, de rechtbank terecht als uitgangspunt heeft genomen dat het perceel onder de tweede herziening geen bouwvlak had en de derde herziening niet tot een planologische verslechtering van de mogelijkheden van het perceel heeft geleid. Dit betekent dat de aanvraag, gelet op de systematiek van de planschadetegemoetkomingsregeling, terecht is afgewezen. In dit verband is niet van belang of, zoals [appellante] stelt, een redelijk denkend en handelend koper zich bij een onderzoek naar de planologische mogelijkheden van het perceel op de digitale plankaart zal richten. Dat laat immers onverlet dat [appellante] als gevolg van de inwerkingtreding van de derde herziening niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren en dus geen schade heeft geleden.”

Scroll naar boven