Deze uitspraak heb ik opgenomen omdat de waardevermindering als gevolg van komst van de bio-massavergistingsinstallatie niet beperkt blijft tot de bedrijfswoning van aanvrager maar mede betrekking heeft op de agrarische bedrijfsgebouwen. In navolging van de door de rechtbank ingeschakelde StAB komt de rechtbank tot het oordeel dat de waardevermindering als gevolg van de planologische wijziging zich beperkt tot de bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing en dat de agrarische cultuurgronden geen waardevermindering ondergaan. Aanvrager vecht dit oordeel in hoger beroep bij de Afdeling aan.
De Afdeling overweegt als volgt:
“10. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de in opdracht van de StAB verrichte taxatie op goede gronden beperkt is gebleven tot de bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing en dat de agrarische gronden daarbij terecht niet zijn betrokken.
10.1. De StAB heeft in het verslag van 12 februari 2015 de objectafbakening ten behoeve van de taxatie toegelicht. Zij heeft uiteengezet dat bij de planvergelijking het gehele bedrijf van [appellant], zijnde een huiskavel bestaande uit een bedrijfswoning, bedrijfsbebouwing, erf en aanliggende agrarische gronden, is betrokken. Op basis van die vergelijking is geconcludeerd dat zich een planologisch nadeel voordoet met betrekking tot de bedrijfswoning, de bedrijfsgebouwen en het erf, maar niet met betrekking tot de agrarische gronden. De waarde van de agrarische gronden direct voor en na de peildatum blijft volgens de StAB gelijk en die gronden zijn om die reden niet bij de taxatie betrokken. Dit betekent volgens de StAB echter niet dat geen rekening is gehouden met het feit dat het in dit geval gaat om een huiskavel die groter is dan het getaxeerde deel ervan. De getaxeerde waarde van de onderdelen in combinatie met de waarde van de gronden vormen de waarde van de huiskavel, aldus de StAB.
10.2. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank terecht afgegaan op de in opdracht van de StAB door De Lorijn verrichte taxatie. De enkele stelling van [appellant] dat de onderdelen van het bedrijf, waartoe ook de agrarische gronden behoren, niet los van elkaar kunnen worden beschouwd, omdat die onderdelen meer waard zijn als ze samen worden aangeboden, is daarvoor onvoldoende. Behalve dat [appellant] deze door hem veronderstelde samenhang niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft hij daarnaast evenmin gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de planologische wijziging met betrekking tot de agrarische gronden leidt tot een planologisch nadeel dat zich vertaalt in een waardevermindering van die gronden. Niet is gebleken dat de taxatie door De Lorijn onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven.”
In beginsel ga ik er vanuit dat bedrijfsgebouwen niet schadegevoelig zijn in relatie tot schadefactoren die van invloed zijn op het (woon)genot dat aan een dergelijke zaak wordt ontleend. Ik verwijs naar de jurisprudentie die u aantreft in onze kennisbank onder het trefwoord “Bedrijfsbebouwing (schadegevoeligheid/waardevermindering)“. De Afdeling oordeelt in casu evenwel anders.