In de onderhavige uitspraak is de vergoeding van deskundigenkosten onder meer onderwerp van geschil.
Aanvragers hebben verzocht om het college te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Voor een specificatie van de kosten in beroep hebben zij verwezen naar het bij de rechtbank overgelegde formulier proceskosten. Het gaat daarbij om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en om kosten voor het inschakelen van deskundigen.
De Afdeling overweegt:
“10.1. Voor zover het gaat om veroordeling in de kosten van door [gemachtigde] verleende rechtsbijstand is daarvoor geen plaats, nu hij de echtgenoot is van [appellante C].
10.2. Ter voorbereiding van hun zienswijze op het concept-advies van de SAOZ hebben [appellanten] als deskundige Wiberg taxaties BV te Kamperveen ingeschakeld. In bezwaar hebben zij een tegentaxatie van Wiberg ingebracht (rapport van 28 augustus 2014). Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar van 27 november 2014 op het standpunt gesteld dat het rapport van Wiberg onvolledig is omdat een zelfstandige planologische vergelijking ontbreekt. In het algemeen kan aan een tegenrapport in het kader van planschade inderdaad pas betekenis worden toegekend als dit op de juiste uitgangspunten is gebaseerd, dat wil zeggen uitgaat van een planologische vergelijking en een maximale invulling. Daarbij wordt echter niet de eis gesteld dat het planologisch kader volledig wordt beschreven. De planologische uitgangspunten worden door [appellanten] niet betwist. Het gaat hen uitsluitend om de waardering. Uit het rapport van Wiberg blijkt voldoende dat dit is opgesteld in het kader van een beoordeling van planschade en dat van de maximale invulling is uitgegaan. Dit rapport kan dan ook niet als onvolledig worden bestempeld en niet reeds om die reden buiten beschouwing worden gelaten.
Ingevolge artikel 6.5 van de Wro vergoeden burgemeester en wethouders indien zij een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van die wet toekennen daarbij ook de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand. Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het inschakelen van een deskundige om te reageren op het conceptadvies in dit geval niet noodzakelijk was. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1540, heeft het college daaraan toegevoegd dat de reactie op het conceptadvies niet heeft geleid tot een (substantiële) aanpassing van dat advies. In die uitspraak is evenwel overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.5 van de Wro (Kamerstukken II 2002-2003, 28 916, nr. 3, blz. 65) valt af te leiden dat, indien een tegemoetkoming in planschade wordt toegekend, aan de aanvrager de kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand worden vergoed, voor zover die kosten redelijkerwijs zijn gemaakt. In het geval kosten zijn opgekomen ten behoeve van het indienen van een zienswijze naar aanleiding van een conceptadvies van een door het college ingeschakelde deskundige, kunnen die kosten voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn. Anders dan het college acht de Afdeling in dit geval het inschakelen van Wiberg voor een zienswijze op het conceptadvies redelijk. Het college heeft een vergoeding van die kosten niet op de door hem gehanteerde grond kunnen afwijzen en zal hierover bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar opnieuw moeten beslissen. Het college zal zich daarbij eveneens moeten uitlaten over de in bezwaar gemaakte deskundigenkosten in de vorm van het rapport van Wiberg van 28 augustus 2014.
10.3. In beroep is het rapport van Wiberg aangepast (gewijzigd rapport van 6 januari 2015). Gelet op het door het college bij het besluit op bezwaar ingenomen standpunt is het rapport van 28 augustus 2014 aangevuld met een planologische vergelijking. Tevens is het op enkele andere punten aangepast. Nu het beroep gegrond wordt verklaard en het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven komen de in beroep gemaakte deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking. Uit de in beroep overgelegde factuur blijkt dat Wiberg 14 uur heeft besteed aan het opstellen van een reactie op het besluit op bezwaar (6,5 uur) en een nadere onderbouwing van het eerste rapport (7,5 uur). Daarvoor is een uurtarief gehanteerd van € 95,00, hetgeen, vermeerderd met 21% BTW, uitkomt op € 1.609,30. De Afdeling acht het redelijk om hiervoor in dit geval een vergoeding toe te kennen van 10 uur tegen het forfaitair bepaalde uurtarief van € 75,00. De vergoeding voor de werkzaamheden van Wiberg in beroep bedraagt derhalve € 750,00.
Voor het toekennen van een vergoeding voor de door prof. dr. ing. W.J.H. van Groenendaal en ir. I.A. Risseeuw van Groenendaal Advies in beroep gemaakte berekening zijn geen termen aanwezig, omdat [appellanten] naast het rapport van Wiberg in redelijkheid niet nog een deskundigenrapport hadden hoeven inbrengen.
10.4. Nu het bij de proceskosten thans alleen gaat om de in beroep gemaakte deskundigenkosten, dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van die kosten te worden veroordeeld.”
Het is vaste jurisprudentie dat deskundigenkosten die zijn gemaakt vooruitlopend op het uitbrengen van het conceptadvies van de door de gemeente ingeschakelde deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen. Een uitzondering op deze hoofdregel is mijns inziens mogelijk indien in relatie tot het indienen van de aanvraag deskundige inbreng wordt vereist. Bijvoorbeeld indien als onderdeel van de aanvraag een taxatierapport dient te worden overlegd.
Na het uitbrengen van het conceptadvies en voor het besluit in primo worden de deskundigenkosten, als een tegemoetkoming in planschade wordt toegekend, in beginsel vergoed. Dit geldt voor de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand. Indien een tegentaxatie wordt ingebracht dan kan aan een tegenrapport in het kader van planschade inderdaad in het algemeen pas betekenis worden toegekend als dit op de juiste uitgangspunten is gebaseerd, dat wil zeggen uitgaat van een planologische vergelijking en een maximale invulling. Daarbij wordt echter niet de eis gesteld dat het planologisch kader volledig wordt beschreven. Uit de onderhavige uitspraak volgt dat indien er geen verschil van mening bestaat over de planologische uitgangspunten en het uitsluitend gaat om de waardering van die uitgangspunten, het ook logisch is dat planologisch kader niet volledig wordt beschreven. Waarbij ik overigens buiten het kader van de deskundigenkosten opmerk, dat waarderingsverschillen er niet snel toe zullen leiden, dat aan het advies van de door de gemeente ingeschakelde deskundige zodanige gebreken kleven, dat het advies niet had mogen worden gevolgd door burgemeester en wethouders.
Uit AbRS 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3290 volgt wanneer in redelijkheid geen aanleiding bestaat om een tegenrapport te overleggen. Niet is vereist dat de inschakeling van deskundigen leidt tot een voor aanvrager meer gunstig resultaat, zo volgt uit de onderhavige uitspraak. Maar zie ook AbRS 11 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1032.
Indien een niet-juridisch deskundige wordt opgeroepen, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die de bijstand van deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Voor de deskundigenkosten gemaakt na het uitbrengen van het conceptadvies maar vóór het besluit in primo geldt de dubbele redelijkheidstoets.
Na het besluit in primo geldt voor bezwaar, beroep en hoger beroep het proceskostenbesluit voor de kosten van juridische deskundige bijstand. Voor de kosten van niet-juridische deskundige bijstand blijft de dubbele redelijkheidstoets gelden. Voor de vergoeding van deze kosten hanteert de hanteert de Afdeling veelal een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur. Zie bijvoorbeeld de onderhavige uitspraak en AbRS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4490. Als een niet juridisch deskundige een zitting bijwoont wordt (ook wel) een ander dan het forfaitaire uurtarief vergoed. Zie bijvoorbeeld AbRS 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1795.
Voor meer info raadpleeg onze “kennisbank“, onder het trefwoord: “deskundigenkosten“.