In deze casus was de vraag aan de orde of door de adviseur van het college een juiste planvergelijking was gemaakt. In concreto: Of ten onrechte een uitzondering op de hoofdregel van maximale invulling was aangenomen. Van deze hoofdregel mag alleen worden afgeweken indien de maximale invulling met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt in zijn algemeenheid dat hier niet snel sprake van is. De Afdeling noemt in dit kader milieuhygiënische beperkingen (AbRS 7 november 2007, nr. 200702220/1), en feitelijke of juridische belemmeringen (AbRS 30 mei 2007, nr. 200609211/1 en AbRS 27 december 2006, nr. 200603619/1).
In casu maakte de planologische maatregel de aanleg van een rondweg mogelijk op Nederlands grondgebied. De planologische maatregel die voor het Belgisch grondgebied nodig was, was nog niet onherroepelijk. De adviseur was als gevolg daarvan de mening toegedaan dat niet van een maximale invulling van de nieuwe planologische regimes kon worden uitgegaan.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de adviseur in de adviezen en ter zitting uiteengezet dat ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan “Omlegging provinciale weg Baarle” het voor de aanleg op Belgisch grondgebied vereiste PRUP nog niet onherroepelijk was. Op de peildatum was volgens de adviseur geen sprake van een op Belgisch grondgebied planologisch mogelijk gemaakte doorlopende rondweg en de maximale planologische mogelijkheden van de Nederlandse nieuwe planologische regimes laten geen volledig functionerende rondweg toe. Van een maximale invulling in de zin van een volledig functionerende weg was in planologisch opzicht dan ook geen sprake. Volgens de adviseur is in zoverre sprake van een toekomstige (nog) onzekere gebeurtenis.
6.2 De rechtbank volgt deze redenering echter niet. Zij overweegt als volgt:
“Naar het oordeel van de rechtbank brengt in dit bijzondere geval een redelijke wetsuitleg van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro met zich mee dat van de beoogde maximale invulling van de nieuwe planologische regimes moet worden uitgegaan, tenzij deze beoogde maximale invulling met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden uitgesloten. In dit geval bestaan de nieuwe planologische regimes uit de bestemmingsplannen “Omlegging provinciale weg Baarle” en “Technische herziening bestemmingsplan Omlegging provinciale weg Baarle”. De beoogde maximale invulling van deze planologische regimes betreft naar het oordeel van de rechtbank een volledig functionerende rondweg. Dit blijkt onder meer uit het gegeven dat bij het opstellen van deze bestemmingsplannen alle onderzoeken zijn gericht op het realiseren van een volledig functionerende rondweg. Dat de planologische wijziging om de rondweg te realiseren deels betrekking heeft op niet Nederlands grondgebied en dus mede afhankelijk is van de planologische besluitvorming van een andere staat, betekent niet dat niet van de beoogde maximale invulling moet worden uitgegaan.
Dit betekent dat voor de planvergelijking moet worden uitgegaan van een volledig functionerende rondweg, tenzij het realiseren hiervan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden uitgesloten. Gelet op de vaste rechtspraak van de AbRS op dit punt kan echter het realiseren van een volledig functionerende rondweg niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Zo is geen sprake van een fysieke onmogelijkheid om een volledig functionerende rondweg te realiseren en is evenmin sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt ook dat de intentie van de Nederlandse en Belgische overheden is dat de rondweg volledig gaat functioneren. Zo is inmiddels een nieuw PRUP ter realisering van het Belgisch gedeelte van de rondweg in procedure gebracht, zijn er afspraken gemaakt tussen de Nederlandse en Belgische overheden over de financiële en procedurele aspecten en is door deze overheden geld gereserveerd voor de aanleg van de rondweg.
6.3 Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat SAOZ in dit geval een onjuiste planvergelijking heeft gemaakt door voor wat betreft de maximale invulling van de nieuwe planologische regimes uit te gaan van een niet volledig functionerende rondweg.”
De adviseur past ook in mijn optiek de uitzondering op de hoofdregel van maximale invulling onjuist toe. Dat de planologische maatregel nog niet onherroepelijk was en een toekomstige onzekere gebeurtenis betrof, leidt niet tot de conclusie dat een maximale invulling met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten en derhalve dient te worden uitgegaan van planmaximalisatie. Voor de gevolgen van planmaximalisatie poogt de rechtbank in rechtsoverweging 8 een oplossing te bieden.